Voordat je een specifiek toestel bedient, moet je een vraag beantwoorden:
GMDSS-zeegebieden
| Gebied | Typische dekking | Primair toestel | Back-up |
|---|---|---|---|
| A1 | Tot ~20-30 NM uit de kust met VHF-DSC | VHF-DSC + kanaal 16 spraak | EPIRB |
| A2 | Buiten A1, tot ~150 NM met MF-DSC | MF-DSC + 2182 kHz spraak | VHF + EPIRB |
| A3 | Buiten A2, binnen erkende satellietdekking | Inmarsat C / Iridium + HF-DSC | MF + EPIRB |
| A4 | Poolgebieden, buiten satellietdekking | HF-DSC + HF-spraak + EPIRB | Geen satellietback-up |

Banden en hun propagatie
| Band | Frequenties | Propagatie | Typisch bereik |
|---|---|---|---|
| VHF | 156-174 MHz | Directe golf (line-of-sight) | 20-40 NM |
| MF | ~1.6-4 MHz | Grondgolf + nachtelijke ruimtegolf | 50-300 NM |
| HF | 4-27 MHz | Ionosferische refractie | 300 tot >5000 NM |
| Satelliet | 1.5-1.6 GHz / Ka | Omhoog naar satelliet + omlaag | Service footprint |

Simplex, duplex, semiduplex
| Modus | Frequenties | Tx/Rx | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| Simplex | 1 | Afwisselend — slechts een spreekt tegelijk | VHF-kanaal 16 |
| Duplex | 2 (TX-paar + RX-paar) | Gelijktijdig — beiden kunnen spreken | Kustkanalen MF/HF |
| Semiduplex | 2 frequenties | Afwisselend (zoals simplex) | Sommige VHF-kustkanalen |
Kritieke noodfrequenties — uit het hoofd leren
| Frequentie | Gebruik |
|---|---|
| 156.800 MHz | VHF-kanaal 16 — nood / oproep spraak |
| 156.525 MHz | VHF-kanaal 70 — DSC (nooit spraak) |
| 2182 kHz | MF — noodspraak |
| 2187.5 kHz | MF — DSC-nood |
| 4207.5 / 6312 / 8414.5 / 12577 / 16804.5 kHz | HF — DSC-nood (5 banden) |
| 406 MHz | Satelliet-EPIRB (Cospas-Sarsat) |
| 9 GHz | Radar SART |
De mentale regel voor de keuze van het medium
- 1A1 → begin met VHF-DSC (kanaal 70).
- 2A2 → begin met MF-DSC (2187.5 kHz).
- 3A3 → begin met ship earth station (Inmarsat C) of HF-DSC.
- 4A4 → begin met HF-DSC en 406 MHz EPIRB.
In elk zeegebied geldt: als het eerste medium faalt, schaal je op naar het volgende. De EPIRB is altijd het laatste vangnet: zij activeert wanneer het schip zinkt.

STCW-blik op de brugwacht
Bepaal vóór het manoeuvreren welke regels gelden: de COLREG-regels 4-10 gelden bij elk zicht, de regels 11-18 alleen voor schepen die elkaar in zicht hebben, en regel 19 regelt contacten op alleen radar bij beperkt zicht.
Bouw het verkeersbeeld op met zicht, gehoor, radar/ARPA en de kaartcontext.
Laat AIS of één losse peiling nooit de systematische waarneming vervangen.
Blijf na de manoeuvre peiling, afstand, CPA/TCPA en passeerafstand bewaken tot het andere schip definitief gepasseerd en vrij is.
Examenfocus
Begin elk scenario met het classificeren van de ontmoeting: oplopen, recht tegen elkaar in, kruisende koersen, nauw vaarwater, verkeersscheidingsstelsel of beperkt zicht.
Lijken twee regels te botsen, controleer dan zorgvuldig de volgorde: de plichten van de oploper blijven gelden en regel 2 blijft goed zeemanschap eisen.
Kernpunten
Het zeegebied bepaalt welke apparatuur verplicht aan boord moet zijn.
VHF = zichtlijn; MF = grondgolf; HF = ionosferische refractie.
VHF-kanaal 70 is alleen DSC, geen spraak. Kanaal 16 is spraak.
In A3 gebruik je de geinstalleerde erkende satellietdienst; in A4 zijn HF en EPIRB de belangrijkste terugval.
Veelgemaakte fouten
VHF kiezen wanneer het schip 100 mijl uit de kust in open water ligt.
Overdag HF gebruiken op een gesloten band zonder alternatieven te controleren.
RX- en TX-frequenties op een duplexkanaal verwarren.
Test je kennis
Test je kennis en bewijs je beheersing.
Laatst beoordeeld: