IALACOLREG
23

Werktuiglijk voortbewogen schepen varend

Werktuiglijk voortbewogen schip onder 50 m, varend — toplicht, boordlichten, heklicht.

Voorschrift 23 van de Aanvaringsregels (COLREG 1972) bepaalt de lichten voor werktuiglijk voortbewogen schepen varend.

a
Een werktuiglijk voortbewogen schip varend moet tonen:
  • 1een toplicht voor
  • 2een tweede toplicht achterlijker en hoger dan het voorste — behalve dat een schip van minder dan 50 meter lengte niet verplicht is dat licht te tonen, maar dit wel mag doen
  • 3boordlichten — rood (bakboord) en groen (stuurboord)
  • 4een heklicht
b
Een luchtkussenvaartuig moet, wanneer het in niet-waterverplaatsende toestand vaart, daarnaast een rondom zichtbaar geel flikkerlicht tonen.
c
Een WIG-vaartuig (Wing-In-Ground) moet alleen bij opstijgen, landen en vlucht nabij het oppervlak, naast de in lid (a) voorgeschreven lichten, een rondom zichtbaar rood flikkerlicht met hoge lichtsterkte tonen.
d
  • 1Een werktuiglijk voortbewogen schip van minder dan 12 meter lengte mag, in plaats van de lichten in lid (a), een rondom zichtbaar wit licht en boordlichten tonen.
  • 2Een werktuiglijk voortbewogen schip van minder dan 7 meter lengte waarvan de maximumsnelheid niet meer bedraagt dan 7 knopen, mag, in plaats van de lichten in lid (a), een rondom zichtbaar wit licht tonen en moet, indien uitvoerbaar, ook boordlichten tonen.
  • 3Het toplicht of rondom zichtbare witte licht op een werktuiglijk voortbewogen schip van minder dan 12 meter mag buiten de langsscheepse middellijn worden geplaatst als plaatsing op de middellijn niet uitvoerbaar is, mits de boordlichten zijn gecombineerd in een lantaarn die op de middellijn wordt gevoerd (of zo dicht mogelijk in dezelfde langsscheepse lijn als het toplicht/rondom zichtbare witte licht).

Hier wordt een interactieve 3D-illustratie getoond. Dezelfde inhoud is beschreven in de regeltekst en de kernpunten hieronder.

Herkenningsvolgorde

Classificeer eerst de toestand van het schip: varend, vaart door het water lopend, gestopt, ten anker, aan de grond, slepend, vissend, in loodsdienst of in bijzondere omstandigheden.

Lees bijzondere lichten verticaal van boven naar beneden voordat je met boordlichten en heklicht het aspect bevestigt.

Bevestig het antwoord daarna met het dagmerk, de scheepslengte en eventuele extra seinen zoals sleeplichten, dekverlichting of een cilinder.

Examenfocus

Herken een schip nooit aan één kleur alleen.

Veel fouten ontstaan doordat iemand een rood licht ziet en gokt zonder het volledige lichtenbeeld te controleren.

Noemt de vraag 'vaart door het water lopend', 'varend maar gestopt', 'ten anker' of 'aan de grond', dan bepaalt die formulering meestal welke extra lichten of dagmerken verschijnen.

Kernpunten

1

Schepen van 50 m en langer moeten twee toplichten tonen

2

Werktuiglijk voortbewogen schepen >=12 m tonen toplicht(en) + boordlichten + heklicht; kleinere schepen hebben vereenvoudigde opties onder (d)

3

Het tweede toplicht moet hoger staan dan het voorste

4

Luchtkussenvaartuigen tonen een extra geel flikkerlicht

5

WIG-vaartuigen bij opstijgen/landen/lage vlucht: extra rood flikkerlicht met hoge lichtsterkte

6

Werktuiglijk voortbewogen schepen <12 m mogen 1 rondom zichtbaar wit licht + boordlichten tonen in plaats van toplicht + heklicht

7

Werktuiglijk voortbewogen schepen <7 m met maximumsnelheid <=7 kn mogen alleen een rondom zichtbaar wit licht tonen, met boordlichten indien uitvoerbaar

Veelgemaakte fouten

Kleine schepen onnodig met twee toplichten uitrusten

De verticale plaatsing van het voorste en achterste toplicht verwarren

Vergeten dat schepen <12 m een vereenvoudigde lichtvoering mogen hebben (een enkel rondom zichtbaar wit licht + boordlichten)

De nog eenvoudigere regel voor <7 m + <=7 kn vergeten (alleen een rondom zichtbaar wit licht, boordlichten indien uitvoerbaar)

Test je kennis

Test je kennis en bewijs je beheersing.

Laatst beoordeeld: