IALACOLREG
Bekijk je voortgang
24

Slepen en duwen

Voorbeeld overdag: een sleep van 180 m, gemeten vanaf het achterschip van de sleper tot het achterste uiteinde van de sleep. De lengte van de sleper telt niet mee.

Tekst van de aangehaalde publicatie

Overheid.nl – Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (2016)

a Een werktuiglijk voortbewogen schip dient bij het slepen te tonen:

i
in plaats van het licht, voorgeschreven in voorschrift 23 (a)
  • 1of (a)
  • 2, twee toplichten, het ene loodrecht onder het andere. Wanneer de lengte van de sleep, gerekend van het hek van het slepende schip tot het uiteinde van de sleep, meer is dan 200 meter, drie van zulke lichten, loodrecht ten opzichte van elkaar;

  • 2boordlichten;

  • 3een heklicht;

  • 4een sleeplicht loodrecht boven het heklicht;

v
wanneer de lengte van de sleep meer is dan 200 meter, een ruitvormig dagmerk, daar waar dit het best kan worden gezien.

b Wanneer een duwend schip en een schip dat wordt geduwd vast aan elkaar zijn verbonden in een samengestelde eenheid, dienen zij te worden beschouwd als één werktuiglijk voortbewogen schip en de in voorschrift 23 voorgeschreven lichten te tonen.

c Een werktuiglijk voortbewogen schip dient, wanneer het duwt of langszij sleept, behalve in het geval van een samengestelde eenheid, te tonen:

i
in plaats van het licht, voorgeschreven in voorschrift 23 (a)
  • 1of (a)
  • 2, twee toplichten, het ene loodrecht onder het andere;

  • 2boordlichten;

  • 3een heklicht.

d Een werktuiglijk voortbewogen schip waarop het bepaalde onder (a) of (c) van dit voorschrift van toepassing is, dient ook te voldoen aan voorschrift 23 (a)

  • 2.

e Een schip of voorwerp dat wordt gesleept, anders dan die genoemd onder (g) van dit Voorschrift, dient te tonen:

i
boordlichten;

  • 2een heklicht;

  • 3wanneer de lengte van de sleep meer is dan 200 meter, een ruitvormig dagmerk, daar waar dit het best kan worden gezien.

f Vooropgesteld dat in één groep geduwde of langszij gesleepte schepen wat betreft het voeren van lichten beschouwd dienen te worden als één schip,

i
dient een geduwd schip dat geen deel uitmaakt van een samengestelde eenheid voorop boordlichten te tonen;

  • 2dient een langszij gesleept schip een heklicht en voorop boordlichten te tonen.

g Een onopvallend, zich gedeeltelijk onder water bevindend schip of voorwerp dat wordt gesleept of een combinatie van zulke schepen of voorwerpen die worden gesleept, dienen te tonen:

i
indien de breedte minder dan 25 meter bedraagt, een rondom zichtbaar wit licht aan of nabij de voorzijde en één aan of nabij de achterzijde, met uitzondering van dracones die geen licht aan of nabij de voorzijde behoeven te tonen;

  • 2indien de breedte 25 meter of meer bedraagt, tevens twee rondom zichtbare witte lichten aan of nabij de zijden ter plaatse van de grootste breedte;

  • 3indien de lengte meer dan 100 meter bedraagt, tevens rondom zichtbare witte lichten tussen de lichten voorgeschreven onder
  • 1en
  • 2, zodat de onderlinge afstand tussen de lichten niet meer bedraagt dan 100 meter;

  • 4een ruitvormig dagmerk aan of nabij het achterste uiteinde van het laatste schip of voorwerp dat wordt gesleept en indien de lengte van de sleep meer bedraagt dan 200 meter tevens een ruitvormig dagmerk, daar waar dit het best kan worden gezien en zo ver mogelijk naar voren geplaatst.

h Wanneer het door een duidelijke oorzaak onuitvoerbaar is om op een gesleept schip of voorwerp de onder (e) of (g) van dit Voorschrift voorgeschreven lichten of dagmerken te tonen, dienen alle mogelijke maatregelen te worden genomen om het gesleepte schip of voorwerp te verlichten of althans de aanwezigheid van een zodanig schip of voorwerp aan te duiden.

i Wanneer het door een duidelijke oorzaak onuitvoerbaar is om op een schip dat gewoonlijk niet voor sleepwerkzaamheden wordt gebezigd, de onder (a) of (c) van dit Voorschrift voorgeschreven lichten te tonen, behoeft dat schip deze lichten niet te tonen bij het slepen van een ander schip dat in nood verkeert of anderszins hulp behoeft. Om het verband aan te duiden tussen het slepende schip en het gesleepte schip, dienen alle mogelijke maatregelen te worden genomen zoals toegestaan volgens voorschrift 36, in het bijzonder door de sleepdraad te verlichten.

Voorbeeld overdag: de sleep van 240 m is langer dan 200 m; sleper en sleep voeren daarom elk een ruitvormig dagmerk. Meet vanaf het achterschip van de sleper tot het achterste uiteinde van de sleep.
Een duwboot en een geduwd schip die star zijn verbonden als samengestelde eenheid gelden als één werktuiglijk voortbewogen schip en voeren de lichten van voorschrift 23.
Dagmerken voor weinig opvallende, gedeeltelijk ondergedompelde sleepobjecten: een ruit achterop; bij meer dan 200 m sleeplengte (voorbeeld 2) een extra ruit zo ver mogelijk vooraan.

IMO COLREG 1972Officiële tekst

De volledige tekst van het voorschrift, overgenomen uit de hieronder vermelde officiële bron.

a Een werktuiglijk voortbewogen schip dient bij het slepen te tonen: (i) in plaats van het licht, voorgeschreven in voorschrift 23 (a)(i) of (a)(ii), twee toplichten, het ene loodrecht onder het andere. Wanneer de lengte van de sleep, gerekend van het hek van het slepende schip tot het uiteinde van de sleep, meer is dan 200 meter, drie van zulke lichten, loodrecht ten opzichte van elkaar; (ii) boordlichten; (iii) een heklicht; (iv) een sleeplicht loodrecht boven het heklicht; (v) wanneer de lengte van de sleep meer is dan 200 meter, een ruitvormig dagmerk, daar waar dit het best kan worden gezien. b Wanneer een duwend schip en een schip dat wordt geduwd vast aan elkaar zijn verbonden in een samengestelde eenheid, dienen zij te worden beschouwd als één werktuiglijk voortbewogen schip en de in voorschrift 23 voorgeschreven lichten te tonen. c Een werktuiglijk voortbewogen schip dient, wanneer het duwt of langszij sleept, behalve in het geval van een samengestelde eenheid, te tonen: (i) in plaats van het licht, voorgeschreven in voorschrift 23 (a)(i) of (a)(ii), twee toplichten, het ene loodrecht onder het andere; (ii) boordlichten; (iii) een heklicht. d Een werktuiglijk voortbewogen schip waarop het bepaalde onder (a) of (c) van dit voorschrift van toepassing is, dient ook te voldoen aan voorschrift 23 (a) (ii). e Een schip of voorwerp dat wordt gesleept, anders dan die genoemd onder (g) van dit Voorschrift, dient te tonen: (i) boordlichten; (ii) een heklicht; (iii) wanneer de lengte van de sleep meer is dan 200 meter, een ruitvormig dagmerk, daar waar dit het best kan worden gezien. f Vooropgesteld dat in één groep geduwde of langszij gesleepte schepen wat betreft het voeren van lichten beschouwd dienen te worden als één schip, (i) dient een geduwd schip dat geen deel uitmaakt van een samengestelde eenheid voorop boordlichten te tonen; (ii) dient een langszij gesleept schip een heklicht en voorop boordlichten te tonen. g Een onopvallend, zich gedeeltelijk onder water bevindend schip of voorwerp dat wordt gesleept of een combinatie van zulke schepen of voorwerpen die worden gesleept, dienen te tonen: (i) indien de breedte minder dan 25 meter bedraagt, een rondom zichtbaar wit licht aan of nabij de voorzijde en één aan of nabij de achterzijde, met uitzondering van dracones die geen licht aan of nabij de voorzijde behoeven te tonen; (ii) indien de breedte 25 meter of meer bedraagt, tevens twee rondom zichtbare witte lichten aan of nabij de zijden ter plaatse van de grootste breedte; (iii) indien de lengte meer dan 100 meter bedraagt, tevens rondom zichtbare witte lichten tussen de lichten voorgeschreven onder (i) en (ii), zodat de onderlinge afstand tussen de lichten niet meer bedraagt dan 100 meter; (iv) een ruitvormig dagmerk aan of nabij het achterste uiteinde van het laatste schip of voorwerp dat wordt gesleept en indien de lengte van de sleep meer bedraagt dan 200 meter tevens een ruitvormig dagmerk, daar waar dit het best kan worden gezien en zo ver mogelijk naar voren geplaatst. h Wanneer het door een duidelijke oorzaak onuitvoerbaar is om op een gesleept schip of voorwerp de onder (e) of (g) van dit Voorschrift voorgeschreven lichten of dagmerken te tonen, dienen alle mogelijke maatregelen te worden genomen om het gesleepte schip of voorwerp te verlichten of althans de aanwezigheid van een zodanig schip of voorwerp aan te duiden. i Wanneer het door een duidelijke oorzaak onuitvoerbaar is om op een schip dat gewoonlijk niet voor sleepwerkzaamheden wordt gebezigd, de onder (a) of (c) van dit Voorschrift voorgeschreven lichten te tonen, behoeft dat schip deze lichten niet te tonen bij het slepen van een ander schip dat in nood verkeert of anderszins hulp behoeft. Om het verband aan te duiden tussen het slepende schip en het gesleepte schip, dienen alle mogelijke maatregelen te worden genomen zoals toegestaan volgens voorschrift 36, in het bijzonder door de sleepdraad te verlichten.
Oorspronkelijke Engelse tekst
(a) A power-driven vessel when towing shall exhibit: (i) instead of the light prescribed in Rule 23(a)(i) or (a)(ii), two masthead lights in a vertical line. When the length of the tow, measuring from the stern of the towing vessel to the after end of the tow, exceeds 200 meters, three such lights in a vertical line; (ii) sidelights; (iii) a sternlight; (iv) a towing light in a vertical line above the sternlight; and (v) when the length of the tow exceeds 200 meters, a diamond shape where it can best be seen. (b) When a pushing vessel and a vessel being pushed ahead are rigidly connected in a composite unit they shall be regarded as a power-driven vessel and exhibit the lights prescribed in Rule 23. (c) A power-driven vessel when pushing ahead or towing alongside, except in the case of a composite unit, shall exhibit: (i) instead of the light prescribed in Rule 23(a)(i) or 23(a)(ii), two masthead lights in a vertical line; (ii) sidelights; and (iii) a sternlight. (d) A power-driven vessel to which paragraph (a) or (c) of this Rule applies shall also comply with Rule 23(a)(ii). (e) A vessel or object being towed, other than those mentioned in paragraph (g) of this Rule, shall exhibit: (i) sidelights; (ii) a sternlight; (iii) when the length of the tow exceeds 200 meters, a diamond shape where it can best be seen. (f) Provided that any number of vessels being towed alongside or pushed in a group shall be lighted as one vessel: (i) a vessel being pushed ahead, not being part of a composite unit, shall exhibit at the forward end, sidelights; (ii) a vessel being towed alongside shall exhibit a sternlight and at the forward end, sidelights. (g) An inconspicuous, partly submerged vessel or object, or combination of such vessels or objects being towed, shall exhibit: (i) if it is less than 25 meters in breadth, one all-round white light at or near the forward end and one at or near the after end except that dracones need not exhibit a light at or near the forward end; (ii) if it is 25 meters or more in breadth, two additional all-round white lights at or near the extremities of its breadth; (iii) if it exceeds 100 meters in length, additional all-round white lights between the lights prescribed in subparagraphs (i) and (ii) so that the distance between the lights shall not exceed 100 meters; (iv) a diamond shape at or near the aftermost extremity of the last vessel or object being towed and if the length of the tow exceeds 200 meters an additional diamond shape where it can best be seen and located as far forward as is practicable. (h) Where from any sufficient cause it is impracticable for a vessel or object being towed to exhibit the lights or shapes prescribed in paragraph (e) or (g) of this Rule, all possible measures shall be taken to light the vessel or object towed or at least to indicate the presence of such vessel or object. (i) Where from any sufficient cause it is impracticable for a vessel not normally engaged in towing operations to display the lights prescribed in paragraph (a) or (c) of this Rule, such vessel shall not be required to exhibit those lights when engaged in towing another vessel in distress or otherwise in need of assistance. All possible measures shall be taken to indicate the nature of the relationship between the towing vessel and the vessel being towed as authorized by Rule 36, in particular by illuminating the towline.

Hier wordt een interactieve 3D-illustratie getoond. Dezelfde inhoud is beschreven in de regeltekst en de kernpunten hieronder.

Herkenningsvolgorde

Classificeer eerst de toestand van het schip: varend, vaart door het water lopend, gestopt, ten anker, aan de grond, slepend, vissend, in loodsdienst of in bijzondere omstandigheden.

Lees bijzondere lichten verticaal van boven naar beneden voordat je met boordlichten en heklicht het aspect bevestigt.

Gebruik het volledige seinbeeld en de opgegeven scheepslengte.

Een facultatief tweede toplicht, twee ankerlichten of dekverlichting bewijzen op zichzelf geen minimumlengte.

Examenfocus

Herken een schip nooit aan één kleur alleen.

Veel fouten ontstaan doordat iemand een rood licht ziet en gokt zonder het volledige lichtenbeeld te controleren.

Noemt de vraag 'vaart door het water lopend', 'varend maar gestopt', 'ten anker' of 'aan de grond', dan bepaalt die formulering meestal welke extra lichten of dagmerken verschijnen.

Test je kennis

Oefen dit onderwerp en herhaal de uitleg bij elk antwoord.

Laatst beoordeeld: