Tekst van de aangehaalde publicatie
Overheid.nl – Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (2016)
a Een onmanoeuvreerbaar schip dient te tonen:
- 2twee ballen of soortgelijke dagmerken, loodrecht ten opzichte van elkaar, daar waar deze het best kunnen worden gezien;
- 3wanneer het vaart door het water loopt, behalve de onder
- 1en
- 2voorgeschreven lichten, tevens boordlichten en een heklicht.
b Een beperkt manoeuvreerbaar schip, behalve een schip bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden, dient te tonen:
- 2drie dagmerken, loodrecht ten opzichte van elkaar, daar waar deze het best kunnen worden gezien. Het bovenste en het onderste dagmerk dienen ballen en het middelste dient een ruitvormig dagmerk te zijn;
- 3wanneer het vaart door het water loopt, behalve de onder
- 1voorgeschreven lichten, tevens een toplicht of toplichten, boordlichten en een heklicht;
- 4wanneer het ten anker ligt, behalve de lichten of dagmerken, voorgeschreven onder
- 1en
- 2, tevens het licht, de lichten of het dagmerk, voorgeschreven in voorschrift 30.
c Een werktuiglijk voortbewogen schip, bezig met sleepwerkzaamheden van zodanige aard, dat daardoor het slepende schip en zijn sleep ernstig beperkt zijn in de mogelijkheid af te wijken van de koers die zij volgen, dient, behalve de lichten of dagmerken, voorgeschreven in Voorschrift 24(a), tevens de lichten of dagmerken te tonen, voorgeschreven onder (b)
- 1en
- 2van dit Voorschrift.
d Een beperkt manoeuvreerbaar schip bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water dient de lichten en dagmerken te tonen, voorgeschreven onder (b)
- 1,
- 2en
- 3van dit voorschrift en tevens, wanneer er een versperring aanwezig is, te tonen:
- 2twee rondom zichtbare groene lichten of twee ruitvormige dagmerken, het ene loodrecht onder het andere, om de kant aan te duiden waar een ander schip voorbij kan varen;
- 3wanneer het ten anker ligt, de in dit Voorschrift voorgeschreven lichten of dagmerken in plaats van de lichten of het dagmerk, voorgeschreven in Voorschrift 30.
e Wanneer het door de afmetingen van een schip dat bezig is met duikwerkzaamheden onuitvoerbaar is alle lichten en dagmerken, voorschreven onder (d) van dit Voorschrift te tonen, dient het volgende te worden getoond:
- 2een van niet buigzaam materiaal vervaardigde afbeelding van de internationale seinvlag „A” van ten minste 1 meter hoogte. Er dienen maatregelen te worden genomen opdat dit merk van alle kanten te onderkennen is.
f Een schip, bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden dient, behalve de lichten voor een werktuiglijk voortbewogen schip, voorgeschreven in Voorschrift 23, of de lichten of het dagmerk voor een schip dat ten anker ligt, voorgeschreven in Voorschrift 30, al naar gelang hetgeen van toepassing is, drie rondom zichtbare groene lichten of drie ballen te tonen. Eén van deze lichten of dagmerken dient nabij de top van de voormast te worden getoond en één aan elk uiteinde van de ra van de voormast. Deze lichten of dagmerken geven aan dat het voor andere schepen gevaarlijk is het mijnenopruimingsvaartuig dichter te naderen dan 1000 meter.
g Schepen met een lengte van minder dan 12 meter, uitgezonderd schepen, bezig met duikwerkzaamheden, behoeven de in dit Voorschrift voorgeschreven lichten en dagmerken niet te tonen.
h De in dit voorschrift voorgeschreven lichten en dagmerken zijn niet bedoeld voor schepen in nood die hulp verlangen. Noodseinen zijn vermeld in Bijlage IV van deze Bepalingen.
IMO COLREG 1972Officiële tekst
De volledige tekst van het voorschrift, overgenomen uit de hieronder vermelde officiële bron.
a Een onmanoeuvreerbaar schip dient te tonen:
(i) twee rondom zichtbare rode lichten, het ene loodrecht onder het andere, daar waar deze het best kunnen worden gezien;
(ii) twee ballen of soortgelijke dagmerken, loodrecht ten opzichte van elkaar, daar waar deze het best kunnen worden gezien;
(iii) wanneer het vaart door het water loopt, behalve de onder (i) en (ii) voorgeschreven lichten, tevens boordlichten en een heklicht.
b Een beperkt manoeuvreerbaar schip, behalve een schip bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden, dient te tonen:
(i) drie rondom zichtbare lichten, loodrecht ten opzichte van elkaar, daar waar deze het best kunnen worden gezien. Het bovenste en het onderste licht dienen rood en het middelste licht dient wit te zijn;
(ii) drie dagmerken, loodrecht ten opzichte van elkaar, daar waar deze het best kunnen worden gezien. Het bovenste en het onderste dagmerk dienen ballen en het middelste dient een ruitvormig dagmerk te zijn;
(iii) wanneer het vaart door het water loopt, behalve de onder (i) voorgeschreven lichten, tevens een toplicht of toplichten, boordlichten en een heklicht;
(iv) wanneer het ten anker ligt, behalve de lichten of dagmerken, voorgeschreven onder (i) en (ii), tevens het licht, de lichten of het dagmerk, voorgeschreven in voorschrift 30.
c Een werktuiglijk voortbewogen schip, bezig met sleepwerkzaamheden van zodanige aard, dat daardoor het slepende schip en zijn sleep ernstig beperkt zijn in de mogelijkheid af te wijken van de koers die zij volgen, dient, behalve de lichten of dagmerken, voorgeschreven in Voorschrift 24(a), tevens de lichten of dagmerken te tonen, voorgeschreven onder (b) (i) en (ii) van dit Voorschrift.
d Een beperkt manoeuvreerbaar schip bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water dient de lichten en dagmerken te tonen, voorgeschreven onder (b) (i), (ii) en (iii) van dit voorschrift en tevens, wanneer er een versperring aanwezig is, te tonen:
(i) twee rondom zichtbare rode lichten of twee ballen, loodrecht ten opzichte van elkaar, om de kant aan te duiden waar de versperring zich bevindt;
(ii) twee rondom zichtbare groene lichten of twee ruitvormige dagmerken, het ene loodrecht onder het andere, om de kant aan te duiden waar een ander schip voorbij kan varen;
(iii) wanneer het ten anker ligt, de in dit Voorschrift voorgeschreven lichten of dagmerken in plaats van de lichten of het dagmerk, voorgeschreven in Voorschrift 30.
e Wanneer het door de afmetingen van een schip dat bezig is met duikwerkzaamheden onuitvoerbaar is alle lichten en dagmerken, voorschreven onder (d) van dit Voorschrift te tonen, dient het volgende te worden getoond:
(i) drie rondom zichtbare lichten, loodrecht ten opzichte van elkaar, daar waar deze het best kunnen worden gezien. Het bovenste en onderste licht dienen rood en het middelste licht dient wit te zijn;
(ii) een van niet buigzaam materiaal vervaardigde afbeelding van de internationale seinvlag „A” van ten minste 1 meter hoogte. Er dienen maatregelen te worden genomen opdat dit merk van alle kanten te onderkennen is.
f Een schip, bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden dient, behalve de lichten voor een werktuiglijk voortbewogen schip, voorgeschreven in Voorschrift 23, of de lichten of het dagmerk voor een schip dat ten anker ligt, voorgeschreven in Voorschrift 30, al naar gelang hetgeen van toepassing is, drie rondom zichtbare groene lichten of drie ballen te tonen. Eén van deze lichten of dagmerken dient nabij de top van de voormast te worden getoond en één aan elk uiteinde van de ra van de voormast. Deze lichten of dagmerken geven aan dat het voor andere schepen gevaarlijk is het mijnenopruimingsvaartuig dichter te naderen dan 1000 meter.
g Schepen met een lengte van minder dan 12 meter, uitgezonderd schepen, bezig met duikwerkzaamheden, behoeven de in dit Voorschrift voorgeschreven lichten en dagmerken niet te tonen.
h De in dit voorschrift voorgeschreven lichten en dagmerken zijn niet bedoeld voor schepen in nood die hulp verlangen. Noodseinen zijn vermeld in Bijlage IV van deze Bepalingen.Oorspronkelijke Engelse tekst
(a) A vessel not under command shall exhibit:
(i) two all-round red lights in a vertical line where they can best be seen;
(ii) two balls or similar shapes in a vertical line where they can best be seen;
(iii) when making way through the water, in addition to the lights prescribed in this paragraph, sidelights and a sternlight.
(b) A vessel restricted in her ability to maneuver, except a vessel engaged in mine clearance operations, shall exhibit:
(i) three all-round lights in a vertical line where they can best be seen. The highest and lowest of these lights shall be red and the middle light shall be white;
(ii) three shapes in a vertical line where they can best be seen. The highest and lowest of these shapes shall be balls and the middle one a diamond;
(iii) when making way through the water, a masthead light or lights, sidelights and a sternlight, in addition to the lights prescribed in subparagraph (i);
(iv) when at anchor, in addition to the lights or shapes prescribed in subparagraphs (i) and (ii), the light, lights or shape prescribed in Rule 30.
(c) A power-driven vessel engaged in a towing operation such as severely restricts the towing vessel and her tow in their ability to deviate from their course shall, in addition to the lights or shapes prescribed in Rule 24(a), exhibit the lights or shapes prescribed in subparagraphs (b)(i) and (ii) of this Rule.
(d) A vessel engaged in dredging or underwater operations, when restricted in her ability to maneuver, shall exhibit the lights and shapes prescribed in subparagraphs (b)(i), (ii) and (iii) of this Rule and shall in addition, when an obstruction exists, exhibit:
(i) two all-round red lights or two balls in a vertical line to indicate the side on which the obstruction exists;
(ii) two all-round green lights or two diamonds in a vertical line to indicate the side on which another vessel may pass;
(iii) when at anchor, the lights or shapes prescribed in this paragraph instead of the lights or shape prescribed in Rule 30.
(e) Whenever the size of a vessel engaged in diving operations makes it impracticable to exhibit all lights and shapes prescribed in paragraph (d) of this Rule, the following shall be exhibited:
(i) three all-round lights in a vertical line where they can best be seen. The highest and lowest of these lights shall be red and the middle light shall be white;
(ii) a rigid replica of the International Code flag “A” not less than 1 meter in height. Measures shall be taken to ensure its all-round visibility.
(f) A vessel engaged in mine clearance operations shall, in addition to the lights prescribed for a power-driven vessel in Rule 23 or to the lights or shape prescribed for a vessel at anchor in Rule 30 as appropriate, exhibit three all-round green lights or three balls. One of these lights or shapes shall be exhibited near the foremast head and one at each end of the fore yard. These lights or shapes indicate that it is dangerous for another vessel to approach within 1000 meters of the mine clearance vessel.
(g) Vessels of less than 12 meters in length, except those engaged in diving operations, shall not be required to exhibit the lights and shapes prescribed in this Rule.
(h) The signals prescribed in this Rule are not signals of vessels in distress and requiring assistance. Such signals are contained in Annex IV to these Regulations.Hier wordt een interactieve 3D-illustratie getoond. Dezelfde inhoud is beschreven in de regeltekst en de kernpunten hieronder.
Herkenningsvolgorde
Classificeer eerst de toestand van het schip: varend, vaart door het water lopend, gestopt, ten anker, aan de grond, slepend, vissend, in loodsdienst of in bijzondere omstandigheden.
Lees bijzondere lichten verticaal van boven naar beneden voordat je met boordlichten en heklicht het aspect bevestigt.
Gebruik het volledige seinbeeld en de opgegeven scheepslengte.
Een facultatief tweede toplicht, twee ankerlichten of dekverlichting bewijzen op zichzelf geen minimumlengte.
Examenfocus
Herken een schip nooit aan één kleur alleen.
Veel fouten ontstaan doordat iemand een rood licht ziet en gokt zonder het volledige lichtenbeeld te controleren.
Noemt de vraag 'vaart door het water lopend', 'varend maar gestopt', 'ten anker' of 'aan de grond', dan bepaalt die formulering meestal welke extra lichten of dagmerken verschijnen.
Test je kennis
Oefen dit onderwerp en herhaal de uitleg bij elk antwoord.
Meer regels in dit Deel
- Slepen en duwena Een werktuiglijk voortbewogen schip dient bij het slepen te tonen:
- Zeilschepen varend en schepen onder riemenDe vrijwillige rondom zichtbare lichten rood boven groen van een zeilschip mogen niet samen met de driekleurenlantaarn worden getoond. Een zeilschip dat ook door een machine wordt voortbewogen is een werktuiglijk voortbewogen schip en toont overdag een kegel met de punt omlaag.
- LoodsvaartuigenEen schip bezig met loodsdienst toont bij de masttop twee rondom zichtbare lichten, wit boven rood; varend voegt het boordlichten en heklicht toe en ten anker de lichten of het dagmerk van Voorschrift 30.
- Ten anker liggende schepen en aan de grond zittende schepena Een ten anker liggend schip dient te tonen, waar deze het best kunnen worden gezien:
Laatst beoordeeld:
