Voorschrift 20 van de Aanvaringsregels (COLREG 1972) bepaalt wanneer lichten en dagmerken moeten worden getoond. De voorschriften over lichten gelden van zonsondergang tot zonsopgang; tijdens die uren mogen geen andere lichten worden getoond, behalve lichten die niet kunnen worden verward met de voorgeschreven lichten en hun zichtbaarheid of onderscheidende karakter niet aantasten.
Bij beperkt zicht en in alle andere omstandigheden waarin dit noodzakelijk wordt geacht, moeten de voorgeschreven lichten eveneens worden getoond. De voorgeschreven dagmerken worden bij daglicht getoond.
Herkenningsvolgorde
Classificeer eerst de toestand van het schip: varend, vaart door het water lopend, gestopt, ten anker, aan de grond, slepend, vissend, in loodsdienst of in bijzondere omstandigheden.
Lees bijzondere lichten verticaal van boven naar beneden voordat je met boordlichten en heklicht het aspect bevestigt.
Bevestig het antwoord daarna met het dagmerk, de scheepslengte en eventuele extra seinen zoals sleeplichten, dekverlichting of een cilinder.
Examenfocus
Herken een schip nooit aan één kleur alleen.
Veel fouten ontstaan doordat iemand een rood licht ziet en gokt zonder het volledige lichtenbeeld te controleren.
Noemt de vraag 'vaart door het water lopend', 'varend maar gestopt', 'ten anker' of 'aan de grond', dan bepaalt die formulering meestal welke extra lichten of dagmerken verschijnen.
Kernpunten
Navigatielichten zijn verplicht van zonsondergang tot zonsopgang
Dezelfde lichten zijn ook vereist bij beperkt zicht, overdag of 's nachts
Extra verlichting is alleen aanvaardbaar als die niet met de voorgeschreven lichten kan worden verward en ze niet minder duidelijk maakt
Dagmerken blijven bij daglicht belangrijk, ook wanneer de scheepslichten eveneens relevant zijn
Veelgemaakte fouten
Mist overdag behandelen alsof navigatielichten optioneel zijn
Decoratieve lichten of werklichten gebruiken die de wettelijke lichten afschermen of verwarrend maken
Test je kennis
Test je kennis en bewijs je beheersing.
Meer regels in dit Deel
- Zichtbaarheid van lichtenBepaalt de minimumzichtbaarheidsafstanden voor lichten op basis van de lengte van het schip.
- Werktuiglijk voortbewogen schepen varendWerktuiglijk voortbewogen schepen varend tonen toplicht(en), boordlichten en een heklicht. Schepen van 50 m en langer moeten twee toplichten tonen.
- Slepen en duwenSlepende of duwende schepen tonen extra toplichten en een geel sleeplicht. Drie toplichten zijn vereist als de sleep langer is dan 200 m.
- Zeilschepen varend en schepen onder riemenZeilschepen tonen boordlichten en een heklicht. Zij mogen optioneel rood boven groen als rondom zichtbare lichten bij de masttop tonen.
Laatst beoordeeld: