COLREG-voorschriften
Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee
A
Deel A — Algemeen
3- 1Toepassinga Deze Voorschriften zijn van toepassing op alle schepen in volle zee en op alle wateren die daarmede in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen.
- 2VerantwoordelijkheidNiets in deze Voorschriften ontheft een schip van de gevolgen van het verzuim deze Voorschriften na te leven of van het verzuim een voorzorgsmaatregel te nemen die volgens goed zeemanschap vereist is.
- 3Algemene begripsomschrijvingenVoor de toepassing van deze Voorschriften, behalve waar het zinsverband anders vereist:
B
Deel B — Vaar- en uitwijkregels
16Sectie I.Gedrag bij elke zichtbaarheid
- 4ToepassingVoorschriften 4–10 gelden bij elk zicht. Voorschriften 11–18 vereisen schepen die elkaar in zicht hebben; Voorschrift 19 geldt voor schepen die elkaar niet zien in of nabij een gebied met beperkt zicht.
- 5Goede uitkijkElk schip moet te allen tijde goede uitkijk houden door zien en horen en door alle beschikbare middelen.
- 6Veilige vaartElk schip dient te allen tijde een veilige vaart aan te houden zodat het juiste en doeltreffende maatregelen kan nemen ter vermijding van aanvaring en kan worden gestopt binnen een voor de heersende omstandigheden en toestanden passende afstand.
- 7Gevaar voor aanvaringa Elk schip dient alle beschikbare middelen te gebruiken, passend in de heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of er gevaar voor aanvaring bestaat. In geval van twijfel wordt een zodanig gevaar geacht te bestaan.
- 8Maatregelen ter voorkoming van aanvaringa Alle maatregelen ter vermijding van aanvaringen moeten worden genomen in overeenstemming met de voorschriften van dit Deel, en dienen, indien de omstandigheden zulks toelaten, doelmatig te zijn en ruim op tijd te worden genomen, daarbij goed rekening houdend met de gebruiken van goed zeemanschap.
- 9Nauwe vaarwatersa Een schip dat de richting van een nauw vaarwater of vaargeul volgt, dient de buitenzijde van het vaarwater of de vaargeul aan zijn stuurboordszijde te houden, zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
- 10Verkeersscheidingsstelselsa Dit voorschrift is van toepassing op door de Organisatie aangenomen verkeersscheidingsstelsels en ontheft schepen niet van hun verplichtingen op grond van enig ander voorschrift.
Sectie II.Gedrag van schepen in zicht van elkaar
- 11ToepassingVoorschriften 11–18 gelden alleen voor schepen die elkaar in zicht hebben. Alleen de aanwezigheid van mist maakt Voorschrift 19 niet van toepassing tussen twee schepen die elkaar nog zien.
- 12Zeilschepena Wanneer twee zeilschepen elkaar naderen, zodanig dat gevaar voor aanvaring bestaat, dient één van beide uit te wijken en wel als volgt:
- 13OplopenBij schepen in zicht moet ieder oplopend schip uitwijken totdat het geheel voorbij en goed vrij is. Voorschrift 13 gaat vóór de Afdelingen I en II van Deel B; de overige delen van de voorschriften blijven gelden.
- 14Tegengestelde koersenTwee werktuiglijk voortbewogen schepen in zicht op tegengestelde of bijna tegengestelde koersen met gevaar voor aanvaring wijzigen beide naar stuurboord en passeren bakboord aan bakboord.
- 15Kruisende koersenWanneer de koersen van twee werktuiglijk voortbewogen schepen elkaar kruisen, zodanig dat zulks gevaar voor aanvaring medebrengt, dient het schip dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft, uit te wijken en, wanneer de omstandigheden het toelaten, te vermijden vóór het andere over te lopen.
- 16Maatregelen door het uitwijkplichtig schipElk schip dat verplicht is uit te wijken voor een ander schip dient, voor zover dit mogelijk is, bijtijds ruim voldoende maatregelen te nemen om goed vrij te blijven.
- 17Maatregelen door het koersvast schipHet koers- en vaartbehoudende schip MAG handelen zodra duidelijk wordt dat het uitwijkplichtige schip niet passend handelt. Het MOET handelen wanneer een aanvaring niet meer door het andere schip alleen kan worden vermeden. De uitwijkplicht van het andere schip blijft bestaan.
- 18Verantwoordelijkheden tussen schepenVoorschrift 18 stelt geen rangorde vast tussen onmanoeuvreerbare en beperkt manoeuvreerbare schepen. De verplichtingen gelden behoudens Voorschriften 9, 10 en 13; zij geven geen absoluut recht van voorrang.
C
Deel C — Lichten en dagtekens
12- 20Toepassing (lichten)De voorgeschreven lichten worden van zonsondergang tot zonsopkomst getoond en, indien aanwezig, ook overdag bij beperkt zicht. Ze mogen ook in andere omstandigheden worden getoond wanneer dat nodig wordt geacht. Dagmerken worden overdag getoond.
- 21Begripsomschrijvingen (lichten)Definieert toplicht, boordlichten, heklicht, sleeplicht, rondom zichtbaar licht en flikkerlicht.
- 22Zichtbaarheid van lichtenBepaalt de minimumzichtbaarheidsafstanden voor lichten op basis van de lengte van het schip.
- 23Werktuiglijk voortbewogen schepen varendEen werktuiglijk voortbewogen schip korter dan 50 m hoeft het tweede toplicht niet te voeren, maar mag dat wel. Alleen twee toplichten bewijzen dus niet hoe lang het schip is.
- 24Slepen en duwena Een werktuiglijk voortbewogen schip dient bij het slepen te tonen:
- 25Zeilschepen varend en schepen onder riemenDe vrijwillige rondom zichtbare lichten rood boven groen van een zeilschip mogen niet samen met de driekleurenlantaarn worden getoond. Een zeilschip dat ook door een machine wordt voortbewogen is een werktuiglijk voortbewogen schip en toont overdag een kegel met de punt omlaag.
- 26Vissende schepena Een schip bezig met de uitoefening van de visserij, varende of ten anker liggende, mag alleen de in dit voorschrift voorgeschreven lichten en dagmerken tonen.
- 27Onmanoeuvreerbare of beperkt manoeuvreerbare schepena Een onmanoeuvreerbaar schip dient te tonen:
- 28Schepen gehinderd door hun diepgangEen schip gehinderd door zijn diepgang mag drie rode rondom zichtbare lichten loodrecht boven elkaar tonen, of een cilindervormig dagmerk.
- 29LoodsvaartuigenEen schip bezig met loodsdienst toont bij de masttop twee rondom zichtbare lichten, wit boven rood; varend voegt het boordlichten en heklicht toe en ten anker de lichten of het dagmerk van Voorschrift 30.
- 30Ten anker liggende schepen en aan de grond zittende schepena Een ten anker liggend schip dient te tonen, waar deze het best kunnen worden gezien:
- 31WatervliegtuigenWanneer het voor een watervliegtuig onuitvoerbaar is lichten met exact de voorgeschreven kenmerken te tonen, moet het zo gelijk mogelijke lichten tonen.
D
Deel D — Geluids- en lichtseinen
6- 32Begripsomschrijvingen (geluidsseinen)a Het woord „fluit” betekent elk geluidseinen voortbrengend toestel dat de voorgeschreven stoten kan voortbrengen en dat voldoet aan de eisen vermeld in Bijlage III van deze Bepalingen.
- 33Uitrusting voor geluidsseinena Een schip met een lengte van 12 meter of meer dient te zijn voorzien van een fluit; een schip met een lengte van 20 meter of meer dient naast de fluit tevens te zijn voorzien van een klok; een schip met een lengte van 100 meter of meer dient tevens te zijn voorzien van een gong, waarvan de toon en het geluid niet kunnen worden verward met die van de klok. De fluit, klok en gong dienen te voldoen aan de eisen vermeld in Bijlage III van deze voorschriften. De klok of de gong of beide mogen worden vervangen door andere middelen die dezelfde onderscheidenlijke geluidskenmerken bezitten, met dien verstande dat het altijd mogelijk moet zijn om de voorgeschreven seinen door bediening met de hand te geven.
- 34Manoeuvreer- en waarschuwingsseinena Wanneer schepen in zicht van elkaar zijn, dient een werktuiglijk voortbewogen schip dat varende is, indien het handelt zoals in deze Voorschriften is toegestaan of voorgeschreven, deze handeling kenbaar te maken door de volgende seinen met zijn fluit:
- 35Geluidsseinen bij beperkt zichtEen schip bezig met vissen en een beperkt manoeuvreerbaar schip dat voor anker werkzaamheden uitvoert geven één lange en twee korte stoten in plaats van het ankersein. Een schip aan de grond mag een passend fluitsein toevoegen; Voorschrift 35(h) schrijft daarvoor niet kort-lang-kort voor.
- 36Seinen om de aandacht te trekkenWanneer het nodig is om de aandacht te trekken van een ander schip mag elk schip licht- of geluidseinen geven die niet kunnen worden gehouden voor een sein dat elders in deze Voorschriften moet of mag worden gegeven, of mag het zijn zoeklicht laten schijnen in de richting van het gevaar, zonder daardoor een ander schip te hinderen of in verwarring te brengen. Elk licht dat gebruikt wordt om de aandacht van een ander schip te trekken, dient van zodanige aard te zijn dat het niet voor een navigatiemerk kan worden gehouden. Voor de toepassing van dit Voorschrift dient het gebruik van zeer felle schitter- of zwaailichten, zoals „strobe”-lichten, te worden vermeden.
- 37NoodseinenWanneer een schip in nood is en hulp nodig heeft, moet het de seinen gebruiken die in Bijlage IV staan (rode vuurpijlen, SOS, MAYDAY, DSC, EPIRB en andere).
E
Deel E — Vrijstellingen
1F
Deel F — Controle op de naleving
3- 39Begripsomschrijvingen (verificatie van naleving)a Audit: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
- 40Toepassing (verificatie van naleving)De Verdragsluitende Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in dit Verdrag.
- 41Verificatie van nalevinga Elke Verdragsluitende Partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van dit Verdrag te verifiëren.
Oefen dit onderwerp
Test je kennis met een quiz
