Klein Vaarbewijs I
Met het Klein Vaarbewijs I vaar je op rivieren, kanalen en meren. Een Klein Vaarbewijs is verplicht voor een pleziervaartuig van 15 tot 25 meter (25 meter niet inbegrepen), of voor een motorboot korter dan 15 meter die op eigen motorkracht harder dan 20 km/u ten opzichte van het water kan varen (ook waterscooters).
Nederland · CBR / Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Het theorie-examen van het CBR gaat over de regels op het Nederlandse binnenwater, vooral het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Op deze pagina lees je hoe het examen is opgebouwd en waar je de officiële informatie vindt.
CBR: Klein Vaarbewijs I, voorwaarden en examen ·
Wanneer is een Klein Vaarbewijs verplicht?
Een Klein Vaarbewijs is verplicht voor een pleziervaartuig van 15 tot 25 meter (25 meter niet inbegrepen), of voor een motorboot korter dan 15 meter die op eigen motorkracht harder dan 20 km/u ten opzichte van het water kan varen (ook waterscooters).
Precies 15 meter valt binnen de lengteplicht; precies 25 meter valt buiten deze Klein Vaarbewijs-categorie. Bij een motorboot korter dan 15 meter gaat het om de snelheid die de boot kan halen, niet om hoe langzaam je op dat moment vaart. Precies 20 km/u valt niet boven de snelheidsgrens. Voor andere scheepscategorieën en vrijstellingen gelden afzonderlijke bepalingen.
Bron: Binnenvaartbesluit — artikel 16, leden 1(b) en 1(d), geraadpleegd op 18/10/2026: https://wetten.overheid.nl/BWBR0025631/#Hoofdstuk3_Paragraaf3_Artikel16
Zo ziet het KVB1-examen eruit
Het examen bestaat uit 40 meerkeuzevragen die je in 60 minuten maakt. Niet elke vraag telt even zwaar: je kunt in totaal 80 punten halen en bent geslaagd met 56 punten of meer.
Het CBR verdeelt de vragen over vier onderdelen: A. wettelijke bepalingen (18 vragen), B. voortstuwing en veiligheid (5), C. waterwegen, vaarwater en meteorologie (9) en D. varen en manoeuvreren (8). Die verdeling geldt sinds 1 januari 2020.
Wat het CBR toetst
Het grootste onderdeel is de wet- en regelgeving: wanneer je een vaarbewijs nodig hebt en vooral het BPR, met de vaarregels, de verplichtingen van de schipper en de kentekens van schepen. Ook de tekens langs de vaarweg uit bijlage 7 van het BPR komen aan bod.
Daarnaast gaat het over betonning en verlichting van de vaarweg, het weer, de motor en veiligheid aan boord, en over varen en manoeuvreren: schroef- en roerwerking, ankeren, zuiging, schutten, man-overboord en aanleggen met wind of stroom.
BPR of internationale regels?
Op het binnenwater gelden andere regels dan op zee. Het BPR kent bijvoorbeeld eigen voorrangsregels voor kleine en grote schepen, eigen lichten en eigen geluidsseinen. Die vind je niet in de internationale aanvaringsregels (COLREG).
Onze lessen en oefentoetsen gaan over de internationale regels: IALA-betonning, lichten en dagtekens en geluidsseinen. Ze helpen je de begrippen te snappen, maar het BPR zelf leer je uit een cursusboek, een cursus of de officiële tekst.
Aanvragen en voorwaarden
Je meldt je aan voor het examen bij het CBR. Voor het vaarbewijs heb je ook een geldige gezondheidsverklaring voor de recreatievaart nodig. Kijk voor de actuele voorwaarden, tarieven en examenplaatsen op de site van het CBR (link hierboven).
Voor wie
Voor recreatieve schippers op Nederlandse rivieren, kanalen en meren. Een Klein Vaarbewijs is verplicht voor een pleziervaartuig van 15 tot 25 meter (25 meter niet inbegrepen), of voor een motorboot korter dan 15 meter die op eigen motorkracht harder dan 20 km/u ten opzichte van het water kan varen (ook waterscooters).
Verwante lesstof (internationale regels)
Oefentoetsen over de internationale regels
Oefenvragen (met antwoorden)
Een geïsoleerd-gevaarmerkteken geeft aan:
- De zijde van een gevaar waar het veilige water ligt
- Een gevaar met bevaarbaar water rondom
- Het midden van een vaargeul
- Een pas ontdekt gevaar dat nog niet in kaart staat
Antwoord tonen
Juiste antwoord: B. Een gevaar met bevaarbaar water rondom
De markering voor geïsoleerd gevaar staat op of nabij het gevaar; kaarten en nautische publicaties geven de omvang en veilige passeerafstand aan.
Veilig-vaarwatermerktekens hebben:
- Rode en witte verticale strepen
- Zwarte en gele horizontale banden
- Een geheel gele kleur
- Blauwe en gele verticale strepen
Antwoord tonen
Juiste antwoord: A. Rode en witte verticale strepen
Veilig-vaarwatermerktekens hebben rode en witte verticale strepen en geven aan dat rondom bevaarbaar water ligt.
Bijzondere merktekens zijn gekleurd:
- Rood
- Groen
- Geel
- Blauw en geel
Antwoord tonen
Juiste antwoord: C. Geel
Bijzondere merktekens zijn geel en duiden bijzondere gebieden aan, zoals militaire zones, kabels of pijpleidingen.
Waarin verschilt IALA-regio B van regio A?
- De vormen zijn omgekeerd: cilinders aan stuurboord
- De kleuren zijn omgekeerd: rood aan stuurboord
- Kardinale markeringen wisselen hun zwarte en gele banden
- Alleen de toptekens verschillen
Antwoord tonen
Juiste antwoord: B. De kleuren zijn omgekeerd: rood aan stuurboord
Regio A: rood aan bakboord, groen aan stuurboord. Regio B: groen aan bakboord, rood aan stuurboord. Dit geldt in de conventionele betonningsrichting op de kaart.
Twee schepen varen in of nabij een gebied met beperkt zicht en zijn NIET in zicht van elkaar. De bepalingen voor kruisende koersen van Voorschrift 15:
- Normaal van toepassing, omdat de schepen elkaars koers nog kruisen
- Alleen van toepassing op schepen langer dan 50 m
- NIET van toepassing; Voorschrift 19 geldt in plaats daarvan
- Van toepassing maar met omgekeerde prioriteiten
Antwoord tonen
Juiste antwoord: C. NIET van toepassing; Voorschrift 19 geldt in plaats daarvan
In deze omstandigheden geldt Voorschrift 19 omdat de schepen niet in zicht van elkaar zijn. Afdeling II, inclusief het voorschrift voor kruisende koersen, geldt alleen voor schepen die elkaar in zicht hebben.
Een luchtkussenvaartuig in niet-waterverplaatsende toestand moet daarnaast tonen:
- Twee rode rondom zichtbare lichten verticaal boven elkaar
- Een rondom zichtbaar geel flikkerlicht
- Een rondom zichtbaar blauw flikkerlicht
- Drie toplichten verticaal
Antwoord tonen
Juiste antwoord: B. Een rondom zichtbaar geel flikkerlicht
b Een luchtkussenvaartuig, varende zonder waterverplaatsing, dient, behalve de lichten voorgeschreven onder (a) van dit voorschrift, een rondom zichtbaar geel schitterlicht te tonen.
Welk dagmerk toont een werktuiglijk voortbewogen schip dat achter zich sleept met een sleep langer dan 200 m?
- Een kegel
- Een cilinder
- Een ruitvorm
- Twee kegels met de punten tegen elkaar
Antwoord tonen
Juiste antwoord: C. Een ruitvorm
a Een werktuiglijk voortbewogen schip dient bij het slepen te tonen: (v) wanneer de lengte van de sleep meer is dan 200 meter, een ruitvormig dagmerk, daar waar dit het best kan worden gezien.
Een door riemen voortbewogen schip moet 's nachts, als het niet de lichten voor zeilschepen toont:
- Toplicht, boordlichten en heklicht van een werktuiglijk voortbewogen schip tonen
- Van zonsondergang tot zonsopkomst een geel flikkerlicht tonen
- Een elektrische zaklamp of lantaarn met wit licht gereed houden
- Geen lichten tonen, want roeiboten zijn vrijgesteld van deel C
Antwoord tonen
Juiste antwoord: C. Een elektrische zaklamp of lantaarn met wit licht gereed houden
d (ii) Een door riemen voortbewogen schip mag de in dit voorschrift voor zeilschepen voorgeschreven lichten tonen, maar indien het zulks niet doet, dient het een elektrische lamp of een aangestoken lantaarn die een wit licht geven, gereed te houden en tijdig genoeg te tonen om aanvaring te voorkomen.
Hoe bereid je je voor
Leer het BPR en de CBR-examenstof met een cursusboek of cursus en maak het voorbeeldexamen van het CBR. Gebruik deze lessen als extra uitleg over betonning, lichten en geluidsseinen.
