Mijn modules›M1 COLREG›9. Lichten die je voert en ziet op een kleine boot
Onderdelen bekijken

Lichten die je voert en ziet op een kleine boot

COLREG≈ 5 min lezen

Lichten herkennen in het donker: wat je ziet en wat je doet

1De les in gewone woorden

In één zin

Herken aan het lichtbeeld van welke kant je een schip ziet en wat voor schip het is. Herhaalde kompaspeilingen helpen je het aanvaringsgevaar te beoordelen.

Lees de kleuren

Een boordlicht helpt je de aanzichtshoek te bepalen: van welke kant je het schip ziet. Rood betekent dat je de bakboordzijde ziet; groen de stuurboordzijde. Samen wijzen ze op een aanzicht van vrijwel recht van voren. Bij aparte lichten betekent alleen het heklicht dat je meer dan 22,5° achterlijker dan dwars zit. Loop je vanuit die sector op, dan ben je een oploper en moet je vrij blijven (Voorschrift 13).

Lees de witte lichten

Controleer het hele lichtbeeld. Een herkend toplicht met boordlichten duidt op motorvaart; alleen wit boven rood geeft geen uitsluitsel. Kleine motorboten mogen een rondom zichtbaar wit licht gebruiken. Twee toplichten, het achterste hoger, helpen de aanzichtshoek bepalen. Zie je ze van voren vrijwel op één lijn, dan zie je het schip vrijwel recht van voren. Hun onderlinge afstand kan veranderen als een van beide schepen beweegt; dat bewijst geen koersverandering. Boordlichten zonder zichtbaar wit licht kunnen op zeilvaart duiden. Kijk opnieuw voor je beslist.

Controleer de peiling

Neem herhaaldelijk kompaspeilingen: richtingen die je op een handpeilkompas afleest. Een vast punt aan dek geeft alleen een relatieve peiling, die verandert als je boot draait. Nadert een schip en verandert de kompaspeiling nauwelijks, neem dan aan dat er aanvaringsgevaar is. Een veranderende peiling sluit gevaar niet altijd uit, vooral dichtbij of bij een groot schip. Herhaal zo vaak als nodig. Bij twijfel neem je aan dat er gevaar is (Voorschrift 7).

Bepaal wat je doet

Controleer eerst of je oploopt (Voorschrift 13). Kruisen twee gewone motorschepen met aanvaringsgevaar, dan wijkt degene met de ander aan stuurboord (Voorschrift 15). Het koershoudende schip houdt aanvankelijk koers en vaart. Het mag handelen als de ander niet passend handelt; het moet handelen als de ander een aanvaring niet meer zelfstandig kan voorkomen. Handel je vroeg, vermijd dan zo mogelijk een bakboorddraai voor een schip aan bakboord (Voorschrift 17). Twee motorschepen die elkaar met aanvaringsgevaar vrijwel recht van voren naderen, draaien beide naar stuurboord (Voorschrift 14).

Bijzondere lichten

Extra rondom zichtbare lichten kunnen aangeven welk werk een schip doet of hoe het beperkt is in manoeuvreren. Herken het volledige lichtbeeld voordat je bepaalt welk voorschrift geldt. Leer deze bijzondere lichten bij /colreg/rule-24 tot en met /colreg/rule-31 en oefen bij /lights-shapes.

Onder zeil

Je loefzijde is de kant tegenover je grootzeil (Voorschrift 12(b)). Dreigt tussen twee zeilschepen een aanvaring, dan blijft het schip met de wind van bakboord vrij van het schip met de wind van stuurboord. Met de wind van dezelfde zijde blijft het loefwaartse schip (aan de windzijde van het andere schip) vrij. Met de wind van bakboord blijf je vrij als je niet weet van welke kant een loefwaarts schip de wind heeft (Voorschrift 12). Motor wijkt normaal voor zeil (Voorschrift 18); verplichtingen voor oplopen, nauwe vaarwaters en verkeersbanen blijven gelden.

2Stap voor stap

Lichten herkennen in het donker

  1. 1

    Noteer alle kleuren en hoe de lichten zijn gerangschikt.

    Eén kleur kan je misleiden; herken het volledige lichtbeeld.

  2. 2

    Neem een kompaspeiling met een handpeilkompas en noteer de tijd.

    Een gelijkblijvende peiling op een naderend schip betekent aanvaringsgevaar (Voorschrift 7).

  3. 3

    Herhaal de kompaspeilingen zo vaak als de situatie vraagt en bekijk het lichtbeeld.

    De onderlinge stand helpt de aanzichtshoek bepalen, maar bewijst geen koersverandering. Beoordeel aanvaringsgevaar met kompaspeilingen.

  4. 4

    Bepaal welk voorschrift geldt en of je moet uitwijken of koers houden.

    Voorschriften 12 tot en met 18 hangen af van beide scheepstypen en van welke kant je het andere schip ziet.

  5. 5

    Moet je uitwijken, handel dan vroeg en maak een duidelijke, ruime verandering.

    Voorschriften 16 en 8: het andere schip moet je handeling kunnen zien.

  6. 6

    Blijf kijken tot het schip voorbij en vrij is.

    Voorschrift 8(d): controleer of je handeling werkt; de ander kan ook veranderen.

3Kernpunten

  1. 1

    Rood = bakboordzijde; groen = stuurboordzijde; beide wijzen op een aanzicht van vrijwel recht van voren.

  2. 2

    Een toplicht met boordlichten duidt op motorvaart; kleine motorboten mogen rondom zichtbaar wit met boordlichten voeren.

  3. 3

    Toplichten vrijwel op één lijn wijzen op een aanzicht van vrijwel recht van voren; een andere onderlinge stand bewijst geen koersverandering.

  4. 4

    Een gelijkblijvende kompaspeiling op een naderend licht betekent aanvaringsgevaar.

4Veelgemaakte fouten

  • Fout: Beoordeel het gevaar op basis van hoe dichtbij het licht lijkt.

    Goed: Afstand schatten is 's nachts moeilijk. Neem kompaspeilingen: een gelijkblijvende peiling op een naderend schip betekent aanvaringsgevaar.

  • Fout: Rood en groen zonder wit licht erboven betekent een kleine motorboot.

    Goed: Werktuiglijk voortbewogen schepen voeren een wit toplicht of rondom zichtbaar licht. Alleen boordlichten duiden meestal op een zeilschip.

  • Fout: Zie je alleen een wit licht, dan ligt het schip ten anker.

    Goed: Het kan een heklicht zijn, of het rondom zichtbare witte licht van een kleine motorboot, van achteren gezien. Controleer de peiling en kijk opnieuw.

5Praktijkgeval en examentips

Situatie

Je vaart 's nachts op de motor op koers 000° in open water. Over je stuurboordboeg herken je het toplicht en rode boordlicht van een motorschip, zonder bijzondere lichten. De kompaspeiling blijft 045° terwijl het nadert.

Toon het antwoord

Dit motorschip kruist van stuurboord. De gelijkblijvende kompaspeiling en afnemende afstand betekenen aanvaringsgevaar. Jij moet vroeg uitwijken (Voorschriften 15 en 16). Draai, als dat veilig kan, duidelijk naar stuurboord om achterlangs te gaan, of minder vaart als dat passend is. Blijf controleren tot het schip voorbij en vrij is.

Examentips

  • Rood = bakboordzijde, groen = stuurboordzijde; beide wijzen op een aanzicht van vrijwel recht van voren.
  • Bij aparte lichten: alleen heklicht = meer dan 22,5° achterlijker dan dwars; van daaruit naderen is oplopen: blijf vrij.
  • Gelijkblijvende peiling en naderen = aanvaringsgevaar (Voorschrift 7); handel vroeg en duidelijk (Voorschriften 8 en 16).
  • Kruisende motorschepen met aanvaringsgevaar: het schip met de ander aan stuurboord wijkt (Voorschrift 15).

Dit onderdeel afronden

Als je het gelezen hebt, koppel je de begrippen en beantwoord je daarna drie vragen. Heb je alles goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.

Mijn notities bij dit onderdeel

Geen notities