Datum, drift en zoekbaanafstand
1De les in gewone woorden
Het gezochte object blijft niet waar het voor het laatst is gezien. Bepaal waarheen het is gedreven en kies een zoekbaanafstand die past bij het object, het zicht en de zee.
Datum
Datum (het zoekmiddelpunt) is de waarschijnlijkste positie van het gezochte object op een bepaald tijdstip. Je begint bij de laatst bekende positie en verplaatst die met de drift: de totale waterstroming (getij-, windgedreven en overige achtergrondstroming) en winddrift (leeway), de verplaatsing door winddruk op het object zelf. Een persoon in het water heeft weinig winddrift; een reddingsvlot zonder drijfanker (een klein zeeanker) kan snel met de wind meedrijven. Dicht bij de kust verandert de getijstroom om de paar uur, dus moet je datum steeds bijwerken.
Zoekgebied
Posities en drift zijn nooit exact. Daarom teken je rond datum een zoekgebied. Hoe langer geleden het incident was, hoe groter het wordt. Ben je OSC en heb je geen plan van het RCC? IAMSAR deel III laat zien hoe je een eenvoudig plan maakt: bepaal datum, kies een patroon en begin bij het startpunt van de zoekactie (commence search point, CSP), waar de eerste zoekbaan begint.
Effectieve zoekbreedte en zoekbaanafstand
Effectieve zoekbreedte (sweep width) is een maat voor de doeltreffendheid van het zoeken. Stel je voor dat je elk object binnen een strook langs je baan vindt en geen enkel daarbuiten. De effectieve zoekbreedte is de breedte van zo'n strook waarmee je in totaal evenveel objecten zou vinden als bij de werkelijke zoekactie. Het is geen gegarandeerde waarnemingsafstand. Zoekbaanafstand (S) is de afstand tussen aangrenzende zoekbanen. Gebruik de tabellen in IAMSAR deel III voor het object en het zicht en pas de weerscorrectie toe. Voor een persoon in het water liggen de banen dichter bij elkaar dan voor een grote boot.
Tijd tegenover vindkans
Halveer je de zoekbaanafstand, dan duurt het doorzoeken van hetzelfde gebied bij dezelfde snelheid ongeveer tweemaal zo lang. De detectiekans (POD) neemt toe: de kans dat je het object vindt als het er is. Bij beperkte tijd doorzoek je met kleinere zoekbaanafstanden minder gebied. Stem die afweging af met de OSC in plaats van zelf de afstand te verkleinen.
Uitkijken
Of je iets vindt, hangt af van mensen. Plaats uitkijken op hoge posten, op beide brugvleugels en voorop. Geef ieder een eigen uitkijksector en verrekijker. Los ze vaak af, want de aandacht neemt af. Gebruik in het donker zoeklichten en voorkom dat dekverlichting de uitkijken verblindt.
2Kerngegevens
- Datum
- Waarschijnlijkste positie van het object op een bepaald tijdstip
- Drift
- Totale waterstroming plus winddrift
- Zoekbaanafstand (S)
- Afstand tussen aangrenzende zoekbanen
- Zoekbaanafstand hangt af van
- Object, zicht en een weerscorrectiefactor
- CSP
- Startpunt van de zoekactie, waar de eerste baan begint
- POD
- Kans het object te vinden als het in het gebied is
3Kernpunten
- 1
Datum is waar het object nu waarschijnlijk is: de laatst bekende positie verplaatst met de drift.
- 2
Drift is totale waterstroming plus winddrift; dicht bij de kust verandert de getijstroom die om de paar uur.
- 3
Zoekbaanafstand komt uit IAMSAR-tabellen voor object en zicht, verkleind voor het weer.
- 4
Dichter bij elkaar liggende banen kosten meer tijd, maar verhogen de detectiekans.
4Veelgemaakte fouten
Fout: Zoek rond de positie uit de noodmelding.
Goed: Zoek rond datum: de laatst bekende positie verplaatst met de drift gedurende de verstreken tijd.
Fout: Gebruik voor een persoon in het water dezelfde zoekbaanafstand als voor een vissersboot.
Goed: Een persoon in het water is moeilijk te zien; IAMSAR-tabellen geven veel kleinere zoekbaanafstanden voor kleine objecten.
Fout: Houd bij ruwe zee de zoekbaanafstand uit de tabel aan.
Goed: Pas de weerscorrectie toe: wind en golven verbergen kleine objecten, dus moeten de banen dichter bij elkaar liggen.
5Praktijkgeval en examentips
Een bemanningslid viel 3 uur geleden overboord. De stroom liep met 1,5 knoop naar het oosten, maar draait nu. Er staat weinig wind. Een ander schip stelt voor datum vast te houden op de voor jullie aankomst berekende positie. Je bent OSC. Wat besluit je?
Toon het antwoord
Schat datum voor je aankomsttijd op ongeveer 4,5 NM oost van de laatst bekende positie; bij weinig wind is de winddrift klein. Zet datum daar niet vast en reken niet verder met de oude stroom naar het oosten. Werk datum bij als de stroom verandert en meld dit aan het RCC en de zoekende eenheden. Kies voor een persoon in het water de zoekbaanafstand uit de zichttabel en pas de weerscorrectie toe. Spreek het CSP af en plaats uitkijken.
Examentips
- Datum: waarschijnlijkste positie van het object, vanaf de laatst bekende positie verplaatst door drift.
- Drift = totale waterstroming + winddrift.
- Zoekbaanafstand uit IAMSAR deel III-tabellen voor object en zicht, met weerscorrectie.
- Kleinere zoekbaanafstand: meer tijd, hogere detectiekans.
Dit onderdeel afronden
Als je het gelezen hebt, beantwoord je drie vragen. Heb je ze alle drie goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.
Mijn notities bij dit onderdeel
Geen notities

