Mijn modules›M6 Meteorologie›7. Wolken, luchtvochtigheid en dauwpunt
Onderdelen bekijken

Wolken, luchtvochtigheid en dauwpunt

Meteorologie≈ 3 min lezen

Stijgende lucht, afkoeling en stabiliteit

1De les in gewone woorden

In één zin

Stijgende lucht koelt af. Blijft ze stijgen of zakt ze terug? Dat bepaalt of je vlakke gelaagde bewolking of hoog oprijzende buienwolken krijgt. Dit is stabiliteit.

Stijgende lucht koelt af

Een kleine hoeveelheid lucht noemen we een luchtpakketje. Bij het stijgen daalt de omgevingsdruk. Het pakketje zet uit en koelt af. Onverzadigde lucht koelt ongeveer 1 °C per 100 m af: de droogadiabatische temperatuurgradiënt. Na verzadiging geeft condensatie warmte af, waardoor de afkoeling vertraagt: de natadiabatische temperatuurgradiënt. Die is vaak ongeveer 0,4–0,7 °C per 100 m in warmere lucht op lage hoogte. In zeer koude lucht nadert deze de droogadiabatische waarde.

Wolkenbasis

Stijgende lucht koelt af naar het dauwpunt. Bij verzadiging kunnen wolken ontstaan: de ondergrens is de wolkenbasis. Bij stapelwolken schat je de basishoogte boven het meetniveau aan het oppervlak met 125 × (temperatuur − dauwpunt). Gebruik °C; de uitkomst is in meters. Bij 20 °C en een dauwpunt van 12 °C is dat ongeveer 1.000 m boven dat niveau.

Stabiel en onstabiel

Een opgetild luchtpakketje dat kouder wordt dan zijn omgeving, zakt meestal terug: stabiele lucht. Een warmer pakketje blijft meestal stijgen: onstabiele lucht. Lucht is voorwaardelijk onstabiel als de omgevingstemperatuur met de hoogte sneller daalt dan de natadiabatische gradiënt, maar langzamer dan de droogadiabatische. Na verzadiging kan verdere optilling nodig zijn voordat het pakketje warmer wordt dan zijn omgeving. Een inversie, waarbij de temperatuur met de hoogte stijgt, is zeer stabiel en werkt als een deksel.

De invloed van de zee

Zeewater dat warmer is dan de lucht verwarmt de lucht van onderaf en bevordert onstabiliteit vlak boven het oppervlak. Kouder zeewater koelt de onderste luchtlaag en bevordert stabiliteit. In koude lucht boven warm water kunnen buien ontstaan als er voldoende vocht is en de stijgende lucht niet wordt tegengehouden. Warme, vochtige lucht boven koud water kan lage bewolking of mist vormen.

Tekenen voor de zeiler

Stabiele lucht: vlakke gelaagde bewolking, heiigheid (wazig zicht) of slecht zicht, motregen en een gelijkmatige wind. Onstabiele lucht: stapelwolken, buien, zeer goed zicht ertussen en een vlagerige wind met plotselinge winddraaiingen. Minder op tijd zeil, zodat je de windstoten aankunt.

2Kerngegevens

Droogadiabatische temperatuurgradiënt
Ongeveer 1 °C per 100 m (9,8 °C per km)
Natadiabatische temperatuurgradiënt
Vaak 0,4–0,7 °C/100 m; in zeer koude lucht dichter bij de droogadiabatische waarde
Standaardatmosfeer
De temperatuur daalt gemiddeld 0,65 °C per 100 m
Wolkenbasis (stapelwolk)
≈ 125 × dauwpuntverschil in °C: meters boven het meetniveau aan het oppervlak
Inversie
Temperatuur stijgt met de hoogte: een zeer stabiel deksel

3Kernpunten

  1. 1

    Stijgende lucht zet uit en koelt af: ongeveer 1 °C per 100 m tot aan verzadiging.

  2. 2

    Wolken ontstaan waar stijgende lucht haar dauwpunt bereikt.

  3. 3

    Stabiele lucht zakt terug: gelaagde bewolking, heiigheid, gelijkmatige wind.

  4. 4

    Onstabiele lucht blijft stijgen: stapelwolken, buien, windstoten.

  5. 5

    Warmer zeewater bevordert onstabiliteit vlak boven het oppervlak; kouder zeewater bevordert stabiliteit.

4Veelgemaakte fouten

  • Fout: Stijgende lucht koelt af doordat ze dichter bij het koude heelal komt.

    Goed: Ze koelt af doordat ze uitzet als de druk eromheen daalt.

  • Fout: Onstabiele lucht betekent slecht zicht.

    Goed: Onstabiele lucht geeft meestal zeer goed zicht tussen buien. Stabiele lucht kan heiigheid of vocht vasthouden en het zicht verminderen.

  • Fout: Koude lucht boven een warme zee geeft rustig, bestendig weer.

    Goed: Verwarming van onderaf bevordert onstabiliteit vlak boven het oppervlak. Bij voldoende vocht en zonder stabiel deksel kunnen buien ontstaan.

5Praktijkgeval en examentips

Situatie

Achter een koufront stroomt lucht van 12 °C met een dauwpunt van 6 °C, gemeten op zeeniveau, over warmer water. Stapelwolken groeien, maar ertussen neemt de wind af. Zou je jouw zeiloppervlak afstemmen op die rustigere perioden? Leg uit en schat de wolkenbasis.

Toon het antwoord

Nee. Verwarming van onderaf bevordert onstabiliteit vlak boven het oppervlak. De groeiende stapelwolken waarschuwen voor mogelijke buien, windstoten en plotselinge winddraaiingen. De wolkenbasis ligt op ongeveer 125 × (12 − 6) = 750 m boven zeeniveau. Kies een zeiloppervlak dat je bij de sterkste windstoten aankunt.

Examentips

  • Onverzadigde lucht koelt bij optilling ongeveer 1 °C per 100 m af; verzadigde lucht koelt langzamer af.
  • Stabiele lucht verzet zich tegen stijging (gelaagde bewolking); onstabiele lucht blijft stijgen (stapelwolken, buien).
  • Warmer zeewater bevordert onstabiliteit vlak boven het oppervlak; kouder zeewater bevordert stabiliteit en kan mist of stratus geven.

Dit onderdeel afronden

Als je het gelezen hebt, koppel je de begrippen en beantwoord je daarna drie vragen. Heb je alles goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.

Mijn notities bij dit onderdeel

Geen notities