Afstand meten en rekenen met snelheid en tijd
1De les in gewone woorden
Meet afstand op de breedteschaal naast het traject. Met afstand, snelheid en tijd bereken je vervolgens hoe ver, hoe snel en wanneer je aankomt.
Afstand meten
Zet de kaartpasser op de twee uiteinden van een traject. Breng hem zonder de opening te veranderen naar de breedteschaal aan de zijkant van de kaart. Doe dat op ongeveer dezelfde breedte als het traject en tel de minuten. Bij kaartwerk neem je één breedteminuut als één zeemijl (M). Stel voor een lang traject de kaartpasser in op een rond getal, zoals 5 M. Pas die afstand af langs de lijn en meet daarna het restant.
Waarom de zijschaal
Op een Mercatorkaart rekt de breedteschaal naar de polen toe uit. Een mijl op papier wordt dus langer naarmate je verder van de evenaar komt. Door ter hoogte van het traject te meten, gebruik je de juiste mijl. De lengteschaal langs de boven- en onderrand is geen afstandsschaal. Een grootschalige havenkaart kan een eigen schaalbalk hebben.
Snelheid, tijd en afstand
Afstand = snelheid × tijd, met snelheid in knopen (zeemijlen per uur) en tijd in uren. Deel minuten door 60 om uren te krijgen. Bij 5,5 kn gedurende 1 h 20 min: 5,5 × 80 ÷ 60 = 7,3 M. Omgeschreven: tijd = afstand ÷ snelheid en snelheid = afstand ÷ tijd. In 6 minuten, een tiende uur, leg je een tiende van je snelheid af: bij 6 kn is dat 0,6 M.
Een ETA berekenen
Bereken je ETA (verwachte aankomsttijd) door de resterende afstand te delen door de verwachte snelheid over de grond (SOG). Tel die vaartijd op bij de huidige tijd. Gebruik SOG in plaats van de snelheid door het water (STW) die het log aangeeft. Een traject van 9,0 M bij 6,0 kn over de grond duurt 1 h 30 min: vertrek je om 10:40, dan kom je rond 12:10 aan.
Eenheden
Eén zeemijl is 1852 m en een kabellengte is 0,1 M, ongeveer 185 m. Houd uren en minuten uit elkaar: 1,5 h is 1 h 30 min, geen 1 h 50 min.
2Kerngegevens
- Afstand
- Snelheid (kn) × tijd (h)
- Tijd
- Afstand ÷ snelheid
- 6-minutenregel
- Afstand in 6 min = snelheid ÷ 10
- Zeemijl
- 1 M = 1852 m; 1′ breedte ≈ 1 M; 1 kabellengte = 0,1 M
- Voorbeeld
- 5,5 kn gedurende 1 h 20 min = 7,3 M
3Kernpunten
- 1
Meet afstand op de breedteschaal naast het traject, nooit op de lengteschaal.
- 2
Afstand = snelheid × tijd, met tijd in uren: deel minuten door 60.
- 3
In 6 minuten leg je een tiende van je snelheid af, uitgedrukt in mijlen.
- 4
Bereken een ETA met de snelheid over de grond. Daarin zit de stroom verwerkt.
4Veelgemaakte fouten
Fout: 1,5 uur is 1 uur en 50 minuten.
Goed: 1,5 h is 1 h 30 min. Vermenigvuldig het decimale deel met 60 om minuten te krijgen.
Fout: Meet afstand op de schaal bovenaan de kaart.
Goed: Dat is de lengteschaal. Gebruik de breedteschaal aan de zijkant, ter hoogte van het traject.
Fout: Gebruik de logsnelheid voor de ETA, ook bij tegenstroom.
Goed: Gebruik de verwachte snelheid over de grond. Tegenstroom, stroom tegen je vaarrichting in, vertraagt je aankomst.
5Praktijkgeval en examentips
Je vertrekt om 09:15 naar een waypoint op 7,5 M. Een bemanningslid berekent met 5 kn door het water een ETA van 10:45. De verwachte snelheid over de grond is 4 kn. Neem je die ETA over?
Toon het antwoord
Nee. Gebruik de snelheid over de grond voor de kaartafstand: 7,5 ÷ 4 = 1,875 h, ongeveer 1 h 53 min. Pas de ETA aan naar ongeveer 11:08. De eerdere schatting gebruikt de snelheid door het water.
Examentips
- Afstand op de breedteschaal, ter hoogte van het traject.
- D = S × T, T = D ÷ S, S = D ÷ T, met tijd in uren.
- 6-minutenregel: afstand in 6 minuten = snelheid ÷ 10.
- Bereken de ETA met de snelheid over de grond.
Dit onderdeel afronden
Als je het gelezen hebt, koppel je de begrippen en beantwoord je daarna drie vragen. Heb je alles goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.
Mijn notities bij dit onderdeel
Geen notities

