Mijn modules›M11 Astronavigatie›6. Hoogtelijnberekening en de positielijn
Onderdelen bekijken

Hoogtelijnberekening en de positielijn

Astronavigatie≈ 3 min lezen

De hoogtelijn intekenen

1De les in gewone woorden

In één zin

Teken de AP, zet het hoogteverschil af, teken de lijn loodrecht en noteer de tijd erbij. Beoordeel daarna wat één lijn je wel en niet vertelt.

Het blad

Oceaankaarten hebben een kleine schaal. Daarom teken je op een plottingblad: een leeg Mercatorraster. Op een universeel plottingblad teken je de meridianen voor je eigen breedte. Markeer de AP uit de uitgewerkte waarneming: 17°00′N 038°08,1′W. Meet afstanden op de breedteschaal, zoals op elke Mercatorkaart.

Afzetten en tekenen

Teken vanuit de AP een dunne lijn langs het azimut, 133,6°T. Meet daarop 22,0 M naar de zon toe af. Teken door dat punt de hoogtelijn, loodrecht op het azimut: langs 043,6°–223,6°. Noteer de tijd, 1142 UT, en het hemellichaam erbij.

Wat één lijn je vertelt

Eén lijn geeft geen vastgesteld bestek. Een lijn van een hemellichaam dat je rond 090° of 270° peilt, loopt noord–zuid en controleert je lengte. Een lijn van een hemellichaam rond 000° of 180° loopt oost–west en geeft je breedte. Deze lijn, vanuit 133,6°, controleert je positie in de richting zuidoost–noordwest.

Fouten

Elke fout verschuift de lijn. Eén minuut fout in Ho verschuift de lijn 1 M naar het hemellichaam toe of ervan af. Een tijdfout verschuift de lijn naar oost of west: 4 s tijd is 1′ lengte. Een wazige horizon of hoge deining maakt de hoogte onzekerder. Een goede zonshoogtemeting kan de lijn tot op enkele mijlen van je positie plaatsen; slechte omstandigheden kunnen veel grotere fouten geven.

Eén lijn, beste positie

Neem zonder tweede lijn als geschatte positie (EP) het punt op de lijn dat het dichtst bij je gegiste positie ligt: het voetpunt van de loodlijn vanuit die positie. Zet je gegist bestek van daaruit voort. Verzeil de lijn, dus verschuif haar naar het tijdstip van een latere waarneming, voordat je beide lijnen laat snijden (volgend onderdeel).

2Kerngegevens

Afzetten
Hoogteverschil langs Zn ernaartoe, langs de tegenrichting ervan af
Tekenen
Hoogtelijn onder een hoek van 90° met Zn; noteer UT en hemellichaam
Uitgewerkt
AP 17°00′N 038°08,1′W; 22,0 M naar 133,6°; lijn 043,6°–223,6°
Hoogtefout
1′ in Ho verschuift de lijn 1 M langs Zn
Tijdfout
4 s UT verschuift de lijn 1′ lengte naar oost of west
Slechts één lijn
EP: het voetpunt van de loodlijn vanuit de gegiste positie

3Kernpunten

  1. 1

    Teken op een plottingblad of grootschalige oceaankaart; meet op de breedteschaal.

  2. 2

    Zet het hoogteverschil af langs Zn of de tegenrichting; teken de lijn op 90° en noteer UT erbij.

  3. 3

    Een hemellichaam nabij oost of west controleert lengte; nabij noord of zuid geeft het breedte.

  4. 4

    Gebruik bij één lijn het punt erop dat het dichtst bij de gegiste positie ligt als EP.

4Veelgemaakte fouten

  • Fout: Meet het hoogteverschil op de lengteschaal bovenaan het blad.

    Goed: Gebruik de breedteschaal, zoals voor elke Mercatorafstand. Op hogere breedten is een lengteminuut korter dan een breedteminuut.

  • Fout: Eén zonshoogtelijn geeft een vastgesteld bestek als ze dicht bij de gegiste positie loopt.

    Goed: Eén lijn bepaalt alleen je positie dwars op de lijn; je plaats langs de lijn blijft onbekend. Voor een vastgesteld bestek heb je een tweede lijn met een goede snijhoek nodig, gelijktijdig waargenomen of verzeild.

5Praktijkgeval en examentips

Situatie

Om 1142 UT is je gegiste positie 16°40′N 038°20′W. De zonshoogtelijn loopt er 16,5 M vandaan, in richting 133,3°. Er is geen ander hemellichaam zichtbaar. Welke positie gebruik je en wat doe je daarna?

Toon het antwoord

Gebruik de geschatte positie op de lijn: vanuit de gegiste positie 16,5 M langs 133,3°, het voetpunt van de loodlijn. Zet van daaruit je gegist bestek voort. Onthoud dat één lijn geen vastgesteld bestek geeft. Verzeil de lijn voor een latere zonshoogte of middagbreedte eerst met de tussentijdse verplaatsing over de grond (volgend onderdeel).

Examentips

  • Intekenen: AP, azimutlijn, hoogteverschil ernaartoe of ervan af, hoogtelijn op 90°, UT erbij.
  • Afstanden op de breedteschaal; plottingbladen voor oceaannavigatie.
  • Hemellichaam oost–west → lengtelijn; hemellichaam noord–zuid → breedtelijn.
  • Eén lijn: EP op het voetpunt van de loodlijn vanuit de gegiste positie.

Dit onderdeel afronden

Als je het gelezen hebt, beantwoord je drie vragen. Heb je ze alle drie goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.

Mijn notities bij dit onderdeel

Geen notities