Mijn modules›M6 Meteorologie›24. Weerrouting en reisplanning bij zwaar weer
Onderdelen bekijken

Weerrouting en reisplanning bij zwaar weer

Meteorologie≈ 4 min lezen

Synchroon en parametrisch slingeren

1De les in gewone woorden

In één zin

Het slingeren neemt sterk toe als de golven je ontmoeten met je slingerperiode of de helft daarvan. Verander snelheid of koers om het ritme te doorbreken.

Ken je slingerperiode

De eigen slingerperiode TR is de tijd voor één volledige slingering, van de ene zijde naar de andere en terug. Meet meerdere slingeringen bij rustige omstandigheden, of gebruik goedgekeurde beladingsgegevens voor je schip. GM, de metacentrische hoogte, geeft de aanvankelijke weerstand tegen hellen aan. Bij hetzelfde schip met vergelijkbare massaverdeling betekent een kleinere GM doorgaans een langere TR. Ook afmetingen en massaverdeling tellen mee. Een lange TR alleen bewijst dus geen marginale stabiliteit. Controleer TR opnieuw voor elke beladingstoestand.

Synchroon slingeren

Synchroon slingeren neemt toe als de ontmoetingsperiode overeenkomt met de slingerperiode: TE ≈ TR. Elke golf duwt het schip net wanneer het die kant op slingert, zoals bij het aanduwen van een schommel. Bij achterinkomende en schuin achterinkomende zee is TE langer en kan die overeenkomen met een lange TR. Voorbeeld: Tw = 10 s bij 12 knopen met achterinkomende zee geeft TE ≈ 16,7 s. Bij TR = 17 s verander je snelheid of koers.

Parametrisch slingeren

Parametrisch slingeren ontstaat doordat de stabiliteit verandert als golven langs de romp lopen: minder met een golfkam midscheeps, meer met een golfdal midscheeps. Het neemt toe bij TE ≈ TR of, in het klassieke geval, TE ≈ 0,5 TR, waarbij de stabiliteit tweemaal per slingering afneemt. Schepen met fijne, uitwaaierende boegen en brede, vlakke achterschepen, zoals grote containerschepen en autoschepen, lopen het meeste risico. Dat geldt bij kopzee, schuin voorinkomende en achterinkomende zee. Binnen enkele cycli kunnen grote slingeringen ontstaan.

Rekenvoorbeeld

Een groot containerschip heeft TR = 26 s, dus 0,5 TR = 13 s. Bij kopzee met Tw = 14 s en 14 knopen is TE = 588 ÷ (42 + 14) = 10,5 s. Minderen naar 3 knopen geeft TE = 588 ÷ 45 ≈ 13,1 s, dicht bij de halve TR. Het minderen heeft het risico op parametrisch slingeren vergroot. Kies een veilige snelheids- of koerswijziging zodat TE voldoende afwijkt van zowel 13 s als 26 s. Controleer daarbij hoe het schip reageert.

Maatregelen en ontwerp

Let op toenemend slingeren in hetzelfde ritme als het stampen, of veel grotere uitslagen naar één kant. Verander veilig snelheid, koers of beide. Vergelijk TE daarna opnieuw met TR en 0,5 TR. Controleer andere gevaren en volg de reactie. Gebruik aanwezige systemen voor bewegingsbewaking of slingerdemping. IMO-circulaire MSC.1/Circ.1627 (2020) introduceert stabiliteitscriteria van de tweede generatie voor schepen in onbeschadigde toestand. Die behandelen vijf faalwijzen: onmanoeuvreerbaar schip zonder voortstuwing, overmatige versnellingen, zuiver stabiliteitsverlies, parametrisch slingeren en surfen met uit het roer lopen. Ze kunnen scheepsspecifieke operationele richtlijnen ondersteunen. Gebruik die waar beschikbaar.

2Kerngegevens

Synchroon slingeren
TE ≈ TR
Parametrisch slingeren
TE ≈ TR of TE ≈ 0,5 TR
Rekenvoorbeeld
TR 26 s; kopzee Tw 14 s bij 3 kn → TE ≈ 13,1 s ≈ 0,5 TR
Lange slingerperiode
Een lagere GM verlengt doorgaans TR bij hetzelfde schip in vergelijkbare omstandigheden
Ontwerpcriteria
MSC.1/Circ.1627 (2020): vijf faalwijzen

3Kernpunten

  1. 1

    Controleer TR voor je belading; een lange TR alleen bewijst geen marginale stabiliteit. Gebruik goedgekeurde stabiliteitsgegevens.

  2. 2

    Synchroon slingeren bij TE ≈ TR; parametrisch slingeren bij TE ≈ TR of 0,5 TR.

  3. 3

    Minderen bij kopzee kan een groot schip in parametrische resonantie brengen.

  4. 4

    Verander snelheid, koers of beide; zorg dat TE voldoende afwijkt van TR en 0,5 TR, controleer andere gevaren en volg de reactie.

4Veelgemaakte fouten

  • Fout: Parametrisch slingeren gebeurt alleen bij dwarsscheepse zee.

    Goed: Het treedt doorgaans op bij kopzee, schuin voorinkomende, achterinkomende en schuin achterinkomende zee, als TE dicht bij TR of de halve TR ligt.

  • Fout: Sterk minderen met de kop op zee stopt het slingeren altijd.

    Goed: Minderen verlengt TE bij kopzee en kan die naar 0,5 TR brengen. Controleer TE voor en na de wijziging.

5Praktijkgeval en examentips

Situatie

Je autoschip, TR = 22 s, vaart met 6 knopen tegen een deining van Tw = 12 s in. Het begint 15° te slingeren, elke cyclus meer, in hetzelfde ritme als het stampen. Wat gebeurt er en wat doe je?

Toon het antwoord

TE = 432 ÷ (36 + 6) ≈ 10,3 s, dicht bij 0,5 TR = 11 s: vermoed parametrisch slingeren. Verander snelheid, koers of beide zodat TE voldoende afwijkt van 11 s en 22 s. Bij dezelfde koers tegen de zee in geeft 14 knopen TE ≈ 8,6 s. Beoordeel slamming, bestuurbaarheid en andere grenzen voordat je een wijziging kiest. Volg scheepsspecifieke richtlijnen en controleer of het slingeren afneemt. Beoordeel opnieuw als het aanhoudt. Informeer de machinekamer en noteer de maatregel.

Examentips

  • Synchroon: TE ≈ TR. Parametrisch: TE ≈ TR of 0,5 TR.
  • Containerschepen en autoschepen: parametrisch slingeren bij kopzee en lage snelheid.
  • MSC.1/Circ.1627: criteria van de tweede generatie, vijf faalwijzen; kunnen scheepsspecifieke operationele richtlijnen ondersteunen.

Dit onderdeel afronden

Als je het gelezen hebt, koppel je de begrippen en beantwoord je daarna drie vragen. Heb je alles goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.

Mijn notities bij dit onderdeel

Geen notities