Laden in havenwater en controles vóór vertrek
1De les in gewone woorden
Bij een rivier- of havenligplaats heeft het water een lagere dichtheid. Het schip mag daar de havenwatertoeslag onder het merk liggen en komt op zee omhoog tot het merk.
Het idee
In een rivier of haven heeft het water een lagere dichtheid dan zeewater. Het schip ligt er dus dieper en komt op zee omhoog. Je mag laden totdat het merk de havenwatertoeslag (DWA) onder water ligt, zodat het in zeewater tot het merk drijft. DWA = FWA × (1,025 − ρ) ÷ 0,025, met ρ de dichtheid van het havenwater in t/m³ (de les Hydrostatiek leidt dit af).
Dichtheid meten
Neem met een dieptemonsterfles watermonsters op verschillende diepten langs de scheepszijde, midscheeps en uit de buurt van lozingen. Giet ze in een schone maatcilinder voor de hydrometer. Een hydrometer is een drijvende dichtheidsmeter. Volg de instructies voor het aflezen van de meniscus (het gebogen vloeistofoppervlak). Rivierwater verandert van dichtheid door getij en regen. Neem daarom tegen het einde opnieuw monsters.
Riviertraject
Artikel 12(3): een schip dat uit een rivierhaven of binnenwater vertrekt, mag dieper laden met het gewicht aan brandstof en andere verbruiksvoorraden dat het tussen de ligplaats en zee opgebruikt. Deel dat gewicht door de TPC in havenwater voor de toeslag in centimeters. Op zee mag de toepasselijke uitwateringslijn niet onder water liggen.
Merken aflezen
Neem het gemiddelde van beide zijden om de gemiddelde diepgang midscheeps te schatten. Slagzij is een helling naar één kant. Leg het schip voor de eindcontrole recht en controleer beide toepasselijke uitwateringslijnen tegen de toegestane onderdompeling. Houd rekening met DWA en een eventuele toeslag voor rivierverbruik. Lees af in kalm water of neem het gemiddelde van herhaalde aflezingen. Voor ladingsramingen: TPC in havenwater = TPC in zeewater × ρ ÷ 1,025.
Houtdeklading
Gebruik houtmerken alleen als ze zijn toegekend en je aan de voorwaarden van het verdrag voor houtvrijboord voldoet. Volg het goedgekeurde handboek voor de vastzetting van lading en de toepasselijke eisen van de vlaggenstaat. De Code voor het veilig vervoer van dekladingen hout, 2011 (TDC-code) geeft richtlijnen voor stuwage en vastzetting. Stabiliteit bij houtdeklading hoort bij Ladingsplanning.
2Stap voor stap
Rekenvoorbeeld: laden in havenwater
- 1
Gegeven: zomer-Δ 16.500 t, TPC in zeewater 25,3 t/cm, havendichtheid 1,010 t/m³. FWA = 16.500 ÷ (4 × 25,3) ≈ 163,043 mm; DWA = FWA × (1,025 − 1,010) ÷ 0,025 ≈ 97,826 mm.
Hier geldt slechts 60% van de zoetwatertoeslag. Rond pas af bij de uiteindelijke ladingsraming.
- 2
Het zomermerk geldt. Toegestane havendiepgang ≈ toegekende zomerdiepgang dS + 0,0978 m.
Bij gelijke waterverplaatsing komt het schip in zeewater ongeveer 97,8 mm omhoog tot het zomermerk.
- 3
Huidige gemiddelde diepgang midscheeps dS − 0,050 m, vrijwel gelijklastig (zonder trim). Nog toegestane inzinking ≈ 0,097826 + 0,050 = 0,147826 m = 14,7826 cm.
Zoveel mag het schip in de haven nog inzinken.
- 4
TPC in havenwater = 25,3 × 1,010 ÷ 1,025 ≈ 24,930 t/cm.
Water met een lagere dichtheid geeft minder tonnen per centimeter.
- 5
Nog te laden lading ≈ 14,7826 × 24,9298 ≈ 368,53 t, ongeveer 369 t. Neem TPC over deze kleine verandering als constant aan.
Inzinking maal TPC geeft het gewicht.
- 6
Controleer de dichtheid en beide uitwateringslijnen opnieuw met het schip recht; stop in dit voorbeeld bij dS + 0,0978 m.
De dichtheid kan tijdens het laden veranderen. Controleer opnieuw zolang je de belading nog kunt aanpassen.
3Kernpunten
- 1
DWA = FWA × (1,025 − ρ) ÷ 0,025; laad totdat het merk de DWA onder water ligt.
- 2
Neem watermonsters op meerdere diepten langs de scheepszijde; herhaal dit tegen het einde.
- 3
Riviertoeslag (cm) = verbruik tussen ligplaats en zee (t) ÷ TPC in havenwater (t/cm).
- 4
Gemiddelde aflezingen schatten de gemiddelde diepgang; controleer uiteindelijk beide uitwateringslijnen met het schip recht.
- 5
Houtmerken vereisen toegekende houtvrijboorden en naleving van de voorwaarden van het verdrag voor houtvrijboord.
4Veelgemaakte fouten
Fout: Gebruik in elk havenwater de volledige FWA.
Goed: De volledige FWA geldt voor zoet water van 1,000 t/m³. Gebruik in brak water de DWA, een deel van de FWA.
Fout: Gebruik de TPC in zeewater om de nog te laden lading te berekenen.
Goed: Gebruik in havenwater: TPC in zeewater × ρ ÷ 1,025. Met zeewater-TPC geeft het voorbeeld ongeveer 374 t in plaats van 369 t.
Fout: Lees maar aan één kant af; de andere is moeilijk bereikbaar.
Goed: Neem voor de gemiddelde diepgang het gemiddelde van beide zijden. Slagzij kan een ondergedompeld merk verhullen. Leg het schip recht en controleer beide uitwateringslijnen voor de eindcontrole.
5Praktijkgeval en examentips
In het rekenvoorbeeld zegt de scheepsagent dat het ochtendmonster na zware regen 1,000 t/m³ aangaf, zodat je de volledige FWA kunt gebruiken. Je eigen monster langs het schip, van drie diepten, geeft 1,010 t/m³ aan. Tot waar laad je?
Toon het antwoord
Gebruik je representatieve monster: 1,010 t/m³ geeft DWA ≈ 97,8 mm. Stop met het schip recht bij dS + 0,0978 m en controleer beide uitwateringslijnen. De volledige 163 mm zou dS + 0,163 m toestaan en op zee ongeveer 6,5 cm te veel inzinking opleveren. Neem tegen het einde opnieuw monsters en noteer de dichtheid in het scheepsdagboek.
Examentips
- DWA = FWA × (1,025 − ρ) ÷ 0,025.
- Riviertoeslag (cm) = rivierverbruik (t) ÷ TPC in havenwater (t/cm); tel toeslagen bij de merkdiepgang op met gelijke eenheden.
- Haven-TPC = TPC × ρ ÷ 1,025; lading = inzinking (cm) × haven-TPC.
Dit onderdeel afronden
Als je het gelezen hebt, beantwoord je drie vragen. Heb je ze alle drie goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.
Mijn notities bij dit onderdeel
Geen notities

