Onderdelen bekijkenTe water laten en hanteren van overlevingsvaartuigen en hulpverleningsboten (STCW A-VI/2-1)
Leiding na tewaterlating: vrijvaren, verzamelen, slepen en afwachten
1De les in gewone woorden
Neem zodra je drijft de leiding: vaar vrij van het schip, tel iedereen en verzamel de andere reddingboten en vlotten. Houd iedereen veilig en zichtbaar tot de redding.
Vrijvaren
Vaar vrij van romp, schroef en brandende olie. Blijf bij de noodpositie als dat veilig kan. Houd luiken dicht bij rook of brand. Indien aanwezig levert het onafhankelijke luchttoevoersysteem lucht aan opvarenden en motor; sproeiers koelen de buitenkant. Alleen gesloten luiken maken een boot niet brandwerend. Bedien deze systemen volgens de fabrieksinstructies terwijl je uit de gevarenzone vaart. Tel iedereen, verdeel taken en stel een uitkijk aan. Meld via de marifoon (VHF-radio), de boordradio voor gesproken berichten over korte afstand.
De groep leiden
Neem de leiding en verzamel de andere reddingboten en vlotten. Slepen is een ander vaartuig met een lijn voorttrekken. Controleer eerst de goedgekeurde sleepgrenzen en goedgekeurde bevestigingspunten van boot en vlotten. Sleep de vlotten alleen achter elkaar als die sleepopstelling is goedgekeurd. Haal de loos, het slappe deel, rustig uit de lijnen. Pas de sleeplengte aan de golven aan, zodat de vaartuigen waar mogelijk samen stijgen en dalen. Zo beperk je plotselinge rukken op de sleeplijn. Sleep langzaam binnen de goedgekeurde grenzen.
Overlevenden in het water
Kies je nadering op basis van je boot, wind, stroming en golven. Als je op vlak water van benedenwinds nadert, vaar dan langzaam tegen de wind in. Stop de schroef voordat je langszij de drenkeling komt. Gebruik het goedgekeurde bergingshulpmiddel en de hijspunten van de boot. Ondersteun hoofd, romp en benen om de persoon zo horizontaal mogelijk te houden. Eén hijslus aan een reddingvest biedt op zichzelf geen horizontale ondersteuning. Gebruik die alleen als hij voor hijsen is goedgekeurd, met ondersteuning van het onderlichaam.
Slecht weer doorstaan
Zet het drijfanker uit: een canvas kegel aan een lijn vanaf de boeg. Het stabiliseert de boot, remt de drift en houdt de boeg op de golven. Houd bij zwaar weer ingangen en openingen waterdicht en iedereen vast in de gordels. Een geheel gesloten reddingboot is zelfrichtend: na kapseizen komt hij weer overeind als de openingen waterdicht zijn en de opvarenden vastzitten. Blijf bij kapseizen in de gordels. Controleer na het oprichten op binnenkomend water, verwijder aanwezig water en herstart de motor als die gestopt is.
2Kerngegevens
- Eerste acties
- Vrijvaren, iedereen tellen, uitkijk, melden via marifoon
- Reddingvlotten slepen
- Goedgekeurde sleepgrenzen, goedgekeurde sleeppunten; langzaam, loos rustig in
- Drijfanker
- Vanaf de boeg: kop op de golven, minder drift
- Kapseizen
- Geheel gesloten: openingen waterdicht, opvarenden in de gordels
- Drenkeling
- Kies nadering naar omstandigheden; langzaam; schroef stoppen vóór langszij
3Kernpunten
- 1
Vaar vrij van scheepshuid en schroef, maar blijf in de buurt van de positie.
- 2
Tel iedereen, stel een uitkijk aan, meld via de marifoon en verzamel de andere reddingboten en vlotten.
- 3
Controleer goedgekeurde sleepgrenzen en goedgekeurde sleeppunten; sleep langzaam in goedgekeurde opstelling. Pas sleeplengte aan golven aan.
- 4
Gebruik het drijfanker om de kop op de golven te houden. Houd in een geheel gesloten reddingboot openingen waterdicht en blijf bij kapseizen in de gordels.
4Veelgemaakte fouten
Fout: Vaar op volle snelheid naar land zodra je vrij bent.
Goed: Blijf bij de positie waar redders zoeken, tenzij de leidinggevende anders beslist.
Fout: Sleep vlotten snel en kort achter de boot om ze vlug vrij te krijgen.
Goed: Controleer goedgekeurde sleepgrenzen en goedgekeurde bevestigingspunten. Sleep langzaam en stem de sleeplengte af op de golven. Snel slepen met een korte lijn kan het sleeppunt uit het vlot trekken.
Fout: Maak je gordels los en klim eruit als de boot omslaat.
Goed: Blijf vastzitten. Een geheel gesloten reddingboot richt zichzelf op als opvarenden vastzitten en ingangen en openingen waterdicht zijn.
5Praktijkgeval en examentips
Je leidt een reddingboot die vrij van het schip is. Vlakbij liggen twee onbeschadigde reddingvlotten met iedereen veilig aan boord. Een man met een reddingvest ligt 50 m benedenwinds in het water. Het water is vlak, de wind constant en er is geen stroming. Je kiest een nadering van benedenwinds.
Toon het antwoord
Haal eerst de man op: hij ligt onbeschut; de vlotten bieden beschutting. Tel iedereen; stel een uitkijk aan. Vaar op veilige afstand voorbij de drenkeling, draai benedenwinds van hem en nader langzaam tegen de wind in. Stop de schroef vóór langszij. Gebruik goedgekeurde bergingsmiddelen en hijspunten; ondersteun hoofd, romp en benen zo horizontaal mogelijk. Verzamel de vlotten; controleer goedgekeurde sleepgrenzen en goedgekeurde sleeppunten. Sleep langzaam in goedgekeurde opstelling. Blijf bij de noodpositie, zet het drijfanker uit en meld via de marifoon.
Examentips
- Na tewaterlating: vrijvaren van scheepshuid en schroef, bij de positie blijven, iedereen tellen, uitkijk, melden.
- Controleer goedgekeurde sleepgrenzen en goedgekeurde bevestigingspunten; gebruik de goedgekeurde sleepopstelling, sleep langzaam en stem sleeplengte op golven af tegen rukken.
- Kies nadering naar boot en omstandigheden. Van benedenwinds op vlak water: langzaam tegen de wind in; stop de schroef; gebruik goedgekeurde hulpmiddelen en lichaamsondersteuning.
- Drijfanker houdt de kop op de golven; geheel gesloten reddingboten richten zichzelf op met waterdichte openingen en opvarenden in de gordels.
Dit onderdeel afronden
Als je het gelezen hebt, beantwoord je drie vragen. Heb je ze alle drie goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.
Mijn notities bij dit onderdeel
Geen notities
