Mijn modules›M4 Navigatie›40. Gyrokompas, dochterkompassen en controle van de kompasfout
Onderdelen bekijken

Gyrokompas, dochterkompassen en controle van de kompasfout

Navigatie≈ 4 min lezen

Repeaters, correctorgegevens en koersoverdracht

1De les in gewone woorden

In één zin

Het moederkompas levert de voorliggende koers op de brug. Een fout daarin of in de invoer kan veel systemen raken; één repeater kan ook afzonderlijk fout staan.

Moederkompas en repeaters

Het moederkompas is de gyro-eenheid. Een stuurrepeater toont de voorliggende koers op de stuurstand; met een peilrepeater neem je peilingen. SOLAS V/19.2.5.1–.3 vereist vanaf 500 GT (brutotonnage) een gyro of ander niet-magnetisch middel voor de voorliggende koers, een koersrepeater of ander middel voor visuele koersinformatie bij een aanwezige noodstuurpositie, en een gyropeilrepeater of ander middel voor peilingen over 360°. Onder 1.600 GT geldt de eis voor de peilrepeater voor zover mogelijk.

Gelijkzetten

Volgens A.424(XI) mogen repeaters maximaal 0,5° van het moederkompas afwijken. Oudere stappenrepeaters kunnen na stroomuitval uit de pas raken en daarna voortdurend een verkeerde koers tonen. Vergelijk elke repeater met het moederkompas aan het begin van elke wacht, na elke stroomonderbreking of elk alarm en voordat je peilt. Zet afwijkende repeaters opnieuw gelijk volgens de procedure van de fabrikant.

Gegevens voor de correctoren

De snelheids- en breedtecorrectoren heffen de fouten uit de vorige les op. Vaak komt snelheid van het log (een snelheidssensor) of een wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS); breedte komt van GNSS. De keuze tussen log en GNSS en tussen snelheid over de grond of door het water moet overeenkomen met de voorschriften van de fabrikant. Als de invoer ontbreekt of onjuist is, klopt de correctie ook niet. Controleer elke wacht de waarden op het bedieningspaneel. Valt GNSS-invoer weg, stel snelheid en breedte dan handmatig in volgens de handleiding.

Wie de koers gebruikt

De gyro levert de voorliggende koers aan de stuurautomaat, radar en automatische radarplotfunctie (ARPA), het elektronische kaartweergave- en informatiesysteem (ECDIS), het automatische identificatiesysteem (AIS) en de reisgegevensrecorder (VDR). Een verkeerde koers kan koersgestabiliseerde radarbeelden verkeerd richten, het over de ECDIS-kaart gelegde radarbeeld verdraaien en de stuurautomaat verkeerd laten sturen. Onderzoek koersfouten direct.

GNSS-kompassen

Een satellietkompas, of GNSS-kompas, meet de voorliggende koers met twee of meer antennes. Het is snel gereed en heeft geen snelheidsfout. Het kan een typegoedkeuring hebben als koerszender (THD), een apparaat dat de voorliggende koers doorgeeft. Het is afhankelijk van satellietsignalen. Storen of vervalsen van die signalen kan de koersinformatie laten wegvallen of vervalsen. Gebruik het als extra controle; de vlaggenstaat beslist of het een gyro mag vervangen.

2Stap voor stap

Koerscontrole bij het begin van de wacht

  1. 1

    Lees de voorliggende koers op het moederkompas af en vergelijk elke repeater daarmee.

    Een repeater die uit de pas loopt, geeft verkeerde stuurkoersen en peilingen terwijl hij normaal lijkt te werken.

  2. 2

    Controleer de snelheids- en breedtewaarden die de gyrocorrectoren gebruiken.

    Bij vastgelopen of verkeerde invoer blijven de snelheids- en breedtefouten ongecorrigeerd.

  3. 3

    Controleer de laatst bepaalde gyrokompasfout in het kompasfoutenboek.

    Tijdens de wacht pas je die fout toe op koersen en peilingen.

  4. 4

    Vergelijk gyro- en magnetische voorliggende koersen. Verwerk de gecontroleerde gyrokompasfout, variatie en deviatie op deze koers. Noteer het resultaat.

    Een onverwacht restverschil vraagt om een onafhankelijke controle. Alleen een veranderd ongecorrigeerd verschil bewijst geen storing.

  5. 5

    Controleer de voorliggende koers op radar, ECDIS en stuurautomaat.

    Controleer voor elk systeem dat deze gyro gebruikt of de ontvangen koers overeenkomt. Houd rekening met eventuele ingestelde correcties.

3Kernpunten

  1. 1

    Repeaters mogen maximaal 0,5° van het moederkompas afwijken. Vergelijk ze elke wacht.

  2. 2

    Controleer repeaters na stroomuitval. Zet afwijkende repeaters volgens de handleiding gelijk met het moederkompas.

  3. 3

    Controleer de snelheids- en breedtegegevens voor de correctoren, vooral na een GNSS-storing.

  4. 4

    Een fout in gedeelde koersgegevens kan stuurautomaat, radar/ARPA, ECDIS, AIS en VDR misleiden.

4Veelgemaakte fouten

  • Fout: Als het moederkompas goed staat, moet elke repeater ook goed staan.

    Goed: Repeaters kunnen uit de pas raken, vooral na stroomuitval. Vergelijk elke repeater vóór gebruik met het moederkompas.

  • Fout: Een satellietkompas is onafhankelijk van GNSS-problemen.

    Goed: Het meet de voorliggende koers met GNSS-signalen. Storen of vervalsen beïnvloedt het dus ook. Gebruik de gyro en het magnetische kompas ter controle.

  • Fout: Een koersfout is alleen van belang voor de roerganger.

    Goed: Een verkeerde voorliggende koers kan brugschermen verkeerd richten, het radarbeeld over de kaart verdraaien en de stuurautomaat misleiden.

5Praktijkgeval en examentips

Situatie

Na korte stroomuitval en herstart wijst de repeater op de bakboordbrugvleugel 4° meer aan dan het moederkompas. De stuurrepeater geeft hetzelfde aan als het moederkompas. De tweede stuurman wil vanaf de bakboordvleugel met peilingen de positie bepalen. Wat doe je?

Toon het antwoord

Gebruik de bakboordrepeater niet. Bevestig eerst dat het moederkompas is ingeslingerd en controleer zijn fout onafhankelijk. Gebruik tot dan een gecontroleerde alternatieve koersbron. Controleer alle repeaters, correctorgegevens en koersoverdracht. Is het moederkompas betrouwbaar, zet de bakboordrepeater dan gelijk volgens de fabrikant. Gebruik gyropeilingen pas als het moederkompas is geverifieerd en de gekozen repeater ermee overeenkomt. Noteer en meld de storing.

Examentips

  • SOLAS V/19.2.5.1–.3: vanaf 500 GT niet-magnetische koersinformatie, een koersrepeater of andere visuele koersinformatie bij een aanwezige noodstuurpositie, en een gyropeilrepeater of ander middel voor 360°-peilingen (onder 1.600 GT voor zover mogelijk).
  • A.424(XI): verschil repeater–moederkompas ≤ ±0,5°; middelen voor correctie van snelheids- en breedtefouten.
  • De koers gaat naar stuurautomaat, radar/ARPA, ECDIS, AIS, VDR; een GNSS-kompas is een THD en is afhankelijk van GNSS.

Dit onderdeel afronden

Als je het gelezen hebt, koppel je de begrippen en beantwoord je daarna drie vragen. Heb je alles goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.

Mijn notities bij dit onderdeel

Geen notities