Voorzeil trimmen: schoot, schootwagen en val
1De les in gewone woorden
Je trimt het voorzeil met de schoot (hoek en twist), schootwagen (trekrichting) en val (voorlijkspanning en bollingspositie).
Schoot
De schoot, een bedieningslijn, bepaalt hoek en twist door de schoothoek (de onderste achterhoek) naar binnen of buiten te trekken. Strakker aanhalen sluit het achterlijk en vlakt het onderlijk, de onderrand, af. Aan de wind staat het achterlijk van een genua, een voorzeil dat tot achter de mast reikt, meestal dicht bij het uiteinde van de zaling zonder het te raken. Een zaling is een maststeun voor de wanten, de zijdelingse steunen. Met halve of ruime wind vier je tot de telltales bij het voorlijk goed staan.
Schootwagen
De schootwagen, of het leioog, is het verschuifbare geleideblok op een rail. Hij bepaalt de trekrichting van de schoot. Naar voren trekt de schoot meer omlaag: het achterlijk sluit, de twist neemt af en het onderlijk wordt boller. Naar achteren trekt hij meer naar achteren: het onderlijk vlakt af en de top opent, dus meer twist. Stel hem zo af dat alle telltales aan loef bij het voorlijk tegelijk omhoogkomen als je langzaam oploeft met vaste schoot.
Val
De val, de lijn waarmee je het zeil hijst, bepaalt de voorlijkspanning. Meer spanning trekt de bolling naar voren en vlakt de achterkant van het zeil af. Minder spanning laat de bolling naar achteren gaan en geeft een spitsere vorm bij het voorlijk, geschikt voor vlak water. Bij sterkere wind wijzen blijvende horizontale plooien met de bolling te ver naar achteren op te weinig spanning. Kleine plooitjes mogen bij weinig wind. Een scherpe verticale plooi wijst op te veel spanning.
Doorhang van de voorstag
De voorstag, de maststeun naar de boeg, buigt onder belasting iets door. Meer doorhang maakt het voorzeil boller en krachtiger, maar je kunt minder hoog, dus minder dicht bij de wind, varen. Minder doorhang maakt het vlakker. Bij veel tuigages vermindert het aanzetten van de achterstag, de maststeun naar het achterschip, de doorhang. Bij sommige doen bakstagen, verstelbare stagen naar achteren, dat. Volg de trimaanwijzingen van de fabrikant van je tuigage.
Halve en ruime wind
Als je afvalt, vier je de schoot en zet je de schootwagen naar voren, of naar buiten (weg van de hartlijn) als je verschillende rails hebt. De schoothoek komt dan minder omhoog als het zeil naar buiten draait en de top opent niet te ver. Barberhaulers, lijnen die de schoot omlaag of naar buiten trekken, doen hetzelfde.
2Kerngegevens
- Schootwagen naar voren
- Minder twist, boller onderlijk, gesloten achterlijk
- Schootwagen naar achteren
- Meer twist, vlakker onderlijk, open top
- Meer valspanning
- Bolling naar voren; voor harde wind en korte golven
- Richtlijn voor genua aan de wind
- Achterlijk dicht bij het zalinguiteinde, zonder het te raken
- Meer doorhang van de voorstag
- Boller, krachtiger zeil; je vaart minder hoog
3Kernpunten
- 1
Schoot: hoek met de wind en twist.
- 2
Schootwagen naar voren: minder twist, boller onderlijk; naar achteren: meer twist, vlakker onderlijk.
- 3
Val strakker: bolling naar voren; losser: bolling naar achteren.
- 4
Meer wind, voorlijkplooien en bolling achterin: val aanzetten. Kleine plooitjes mogen bij weinig wind; verticale plooi: vieren.
- 5
Doorhang van de voorstag geeft meer bolling; achterstagspanning vermindert de doorhang meestal.
4Veelgemaakte fouten
Fout: Laat de schootwagen bij elke wind en elke koers op dezelfde plek staan.
Goed: Verplaats hem als de omstandigheden veranderen. Loef langzaam op met vaste schoot: bij de juiste stand komen alle telltales aan loef bij het voorlijk tegelijk omhoog.
Fout: Plooien langs het voorlijk horen gewoon bij een oud zeil.
Goed: Bij sterkere wind wijzen blijvende horizontale plooien met de bolling te ver achterin op te weinig valspanning. Kleine plooitjes mogen bij weinig wind; vermijd een scherpe verticale plooi.
5Praktijkgeval en examentips
Bij 18 knopen en korte golven is je genua erg bol. Het diepste punt ligt ver naar achteren en langs het voorlijk zitten horizontale plooien. De boot helt en vertraagt op elke golf.
Toon het antwoord
Zet de val aan om de bolling naar voren te trekken en de blijvende plooien weg te nemen. Zet de achterstag aan, als dat op jouw tuig werkt, om de voorstag minder te laten doorhangen en het zeil af te vlakken. Zet de schootwagen iets naar achteren om de top te openen en het onderlijk af te vlakken. Controleer na elke wijziging helling, versnelling en telltales.
Examentips
- De schoot bepaalt hoek en twist; de schootwagen bepaalt de trekrichting.
- Wagen naar voren: minder twist, boller onderlijk. Naar achteren: meer twist, vlakker onderlijk.
- Valspanning trekt de bolling naar voren. Meer wind, blijvende voorlijkplooien en bolling achterin: aanzetten. Kleine plooitjes mogen bij weinig wind.
- Doorhang van de voorstag maakt het voorzeil boller; de achterstag vermindert de doorhang meestal.
Dit onderdeel afronden
Als je het gelezen hebt, beantwoord je drie vragen. Heb je ze alle drie goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.
Mijn notities bij dit onderdeel
Geen notities

