Mijn modules›M14 Zeilen›6. Zeiltrim en balans
Onderdelen bekijken

Zeiltrim en balans

Zeilen≈ 4 min lezen

Telltales en twist aflezen

1De les in gewone woorden

In één zin

Telltales tonen de luchtstroming aan beide kanten van een zeil. Lees ze van boven naar beneden om schoot, koers en twist te beoordelen.

Telltales bij het voorlijk

Telltales bij het voorlijk zijn korte lintjes net achter de voorrand (het voorlijk) van het voorzeil, meestal op drie hoogten. Aan beide kanten moeten ze naar achteren stromen. Komt het lintje aan loef, de windzijde, omhoog, haal dan de schoot aan (trek de bedieningslijn van het zeil in) of val af (draai van de wind weg). Hangt of draait het lintje aan lij, de beschutte kant, dan is het zeil overtrokken: vier de schoot (laat hem uit) of loef op (draai naar de wind toe).

Sturen of trimmen

Aan de wind houd je de schoot meestal vast en stuur je op de telltales. Met de wind van opzij houd je meestal je koers en verstel je de schoot.

Twist

Twist is hoeveel de bovenkant van een zeil openstaat ten opzichte van de onderkant. Enige twist laat het bovenste deel van het zeil aansluiten bij de schijnbare wind, de wind die je aan boord voelt. Die komt bovenin meestal meer van achteren. Controleer dit aan de wind: houd de schoot vast en loef langzaam op. Kijk naar de telltales aan loef bij het voorlijk. Komen de bovenste eerst omhoog, dan heb je te veel twist; de onderste eerst betekent te weinig. Streef ernaar dat ze tegelijk omhoogkomen.

Telltales aan het achterlijk

Bij het grootzeil zitten telltales aan het achterlijk, de achterrand, vaak bij de uiteinden van zeillatten. Die latten verstevigen het zeil. Naar achteren stromen wijst op goede stroming. Verdwijnen de lintjes achter het zeil, dan staat het achterlijk mogelijk te strak. Vaar je gelijkmatig aan de wind, dan is de helft van de tijd (50%) naar achteren stromen voor het bovenste lintje een gebruikelijke richtlijn. Bij weinig wind of tijdens het versnellen wil je dat het vrijwel voortdurend stroomt. Op halve of ruime wind regelt de neerhouder, die de giek omlaag trekt, de twist. Vaar je bijna pal voor de wind, dan stromen deze lintjes mogelijk niet betrouwbaar.

Woorden voor zeilvorm

Zeilmakers beschrijven de vorm met drie begrippen. Bolling of diepte is hoe sterk het zeil gebogen is: zijn buik. De bollingspositie is de plek waar het diepste punt in het zeil ligt. Twist is het opendraaien van onder naar boven. Een bol zeil geeft kracht bij weinig wind en golven; een vlak zeil geeft minder weerstand en helling bij harde wind.

2Kerngegevens

Telltale bij het voorlijk aan loef komt omhoog
Schoot aanhalen of afvallen
Telltale bij het voorlijk aan lij stroomt niet meer
Schoot vieren of oploeven
Langzaam oploeven: bovenste telltales aan loef komen eerst omhoog
Te veel twist: verminder die
Langzaam oploeven: onderste telltales aan loef komen eerst omhoog
Te weinig twist: voeg die toe
Bovenste telltale aan het achterlijk van het grootzeil, aan de wind
Ongeveer 50% van de tijd; vaker bij weinig wind of versnellen

3Kernpunten

  1. 1

    Beide telltales bij het voorlijk stromen naar achteren: de stroming is goed.

  2. 2

    Loef komt omhoog: aanhalen of afvallen. Lij stroomt niet: vieren of oploeven.

  3. 3

    Twist is het opendraaien van de bovenkant ten opzichte van de onderkant.

  4. 4

    Langzaam oploeven: bovenste telltales aan loef eerst omhoog = te veel twist; onderste eerst = te weinig.

  5. 5

    Bovenste telltale grootzeil: aan de wind 50% van de tijd stromen; vaker bij weinig wind of versnellen.

4Veelgemaakte fouten

  • Fout: Een rustig, gevuld zeil dat niet klappert, staat perfect getrimd.

    Goed: Het kan overtrokken zijn. Controleer de telltales aan lij. Vier tot het voorlijk net invalt en haal dan iets aan.

  • Fout: Twist is een fout; het zeil moet van boven tot onder dezelfde hoek hebben.

    Goed: Bovenin is de wind sterker en komt hij meer van achteren. Met de juiste twist sluit het zeil daarop aan.

5Praktijkgeval en examentips

Situatie

Je vaart hoog aan de wind: zo dicht bij de wind als de zeilen toelaten. Alle drie de telltales aan loef van de fok komen omhoog. Je valt af tot ze stromen. Dan loef je langzaam op met vaste schoot. De bovenste komt eerder omhoog dan de onderste. Wat verstel je?

Toon het antwoord

Door af te vallen herstelde je de stroming. Bij langzaam oploeven komt de bovenste telltale eerst omhoog: te veel twist. Zet de schootwagen van de fok, het verschuifbare geleideblok voor de schoot, iets naar voren. Stel de schoot opnieuw af en herhaal de proef. Streef ernaar dat de lintjes op alle drie de hoogten tegelijk omhoogkomen.

Examentips

  • Telltale aan loef komt omhoog: aanhalen of afvallen. Lij stroomt niet: vieren of oploeven.
  • Langzaam oploeven met vaste schoot: bovenste telltales aan loef eerst omhoog = te veel twist; onderste eerst = te weinig.
  • Bovenste telltale grootzeil: aan de wind 50% van de tijd stromen; vaker bij weinig wind of versnellen.
  • Zeilvorm: bolling, bollingspositie, twist.

Dit onderdeel afronden

Als je het gelezen hebt, beantwoord je drie vragen. Heb je ze alle drie goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.

Mijn notities bij dit onderdeel

Geen notities