Quickstop
Zeil: direct reageren en dichtbij blijven.
- Loef op en ga overstag; laat de fok eerst bak staan.
- Draai dichtbij; beheers de zeilen en een eventuele gijp.
- Nader langzaam, maak de persoon vast en haal hem aan boord.
Bij man overboord houd je de persoon in zicht, gooi je drijfmiddelen, keer je beheerst terug en haal je hem aan boord zonder anderen in gevaar te brengen.
Gecontroleerd door Ramon Curto, Docent nautiek bij het IECNPC · Laatst beoordeeld:
Motor: tegenkoers, nuttig bij slecht zicht.
Drijvende markering · De trajecten hebben geen afstands- of tijdschaal. Oefen op je eigen boot met een instructeur: wind, golven en vaargedrag veranderen de nadering.
Stap 1/3 · Hard roer naar de zijde van de val.
Beginkoers 090°, val aan stuurboord: dit zijn koerspunten, geen getimede roercommando’s.
De trajecten hebben geen afstands- of tijdschaal. Oefen op je eigen boot met een instructeur: wind, golven en vaargedrag veranderen de nadering.
Roep „Man overboord!” en noem de zijde. Gooi meteen een reddingsboei en, indien aanwezig, een danboei. Wijs iemand aan die voortdurend naar de persoon blijft wijzen; laat die uitkijk niet tegelijk sturen of de radio bedienen. Druk MOB op de GPS of kaartplotter: die legt de plek van het alarm vast, niet de huidige positie van iemand die afdrijft. Waarschuw de schipper en verdeel sturen, uitkijk, radio en berging over de beschikbare bemanning.
Vraag vroeg om hulp. Bij ernstig en onmiddellijk gevaar waarvoor directe hulp nodig is, zend je een DSC-noodalarm als je daarmee bent uitgerust, gevolgd door MAYDAY op marifoonkanaal 16. PAN PAN gebruik je voor een spoedeisende veiligheidssituatie onder die noodgrens. Geef positie, aard van het ongeval en betrokken personen door; volg de aanwijzingen van de kustwacht. Een elektronisch waypoint vervangt het zichtcontact niet, vooral niet ’s nachts of tussen golven. Blijf daarom ook tijdens het zenden goed uitkijken.
Onder zeil begint de quickstop met direct overstag gaan, waarbij de fok aanvankelijk bak blijft staan om dichtbij te blijven. Daarna volgt een beheerste terugkeer; daarbij kan een gijp nodig zijn, dus oefenen is essentieel. Bij het achtmanoeuvre vaar je halve wind weg, ga je overstag en keer je halve wind terug, gevolgd door een langzame nadering aan de wind zonder gijp. Onder motor past Anderson bij een direct geziene val. Williamson brengt je terug op de tegenkoers en helpt bij slecht zicht. Scharnow is voor een later ontdekte vermissing, niet voor een onmiddellijke val naast de boot.
In het Williamsonvoorbeeld begin je op 090° en geef je hard stuurboordroer. Na 60° koersverandering vaar je 150°: geef hard tegenroer. Tijdens de draai naar bakboord ligt het punt 20° vóór de tegenkoers op 290°; zet het roer midscheeps en stabiliseer op 270°. Deze IAMSAR-punten beschrijven het standaardmanoeuvre, geen exacte draaicirkel voor jouw boot. Pas snelheid en laatste nadering aan wind, zee en afstand tot de schroef aan; zet de aandrijving vlak bij de persoon in neutraal.
Terugkeren is maar de helft. Maak de persoon vast met een reddingssling of Lifesling; iemand die bij bewustzijn en fit genoeg is, kan een geschikte ladder gebruiken. Bij uitputting kunnen een voldoende sterke val, lier en hijsvoorziening met getrainde bediening nodig zijn. Houd de persoon weg van de schroef en stuur geen onbeveiligde redder het water in. Koudeschok kan een onwillekeurige hap naar lucht veroorzaken: blijf eerst drijven en beheers je ademhaling. Het geheugensteuntje 1–10–1 betekent ongeveer één minuut voor ademhaling, tien minuten bruikbare beweging en een uur tot bewusteloosheid door onderkoeling; het garandeert geen overlevingstijd. Berg voorzichtig, zo horizontaal mogelijk, en vraag medisch advies.
Voorkom vallen met goed passende reddingsvesten, veilige handgrepen, looplijnen en geschikte veiligheidslijnen. Bespreek de taken, oefen het aan boord halen en spreek nachtelijke wachtroutines af. De Oscarvlag betekent „Man overboord” in het Internationaal Seinboek; COLREG-bijlage IV noemt noodseinen, geen specifiek MOB-sein. Redding komt aan bod bij de praktische RYA Day Skipper, de Spaanse veiligheidsprogramma’s PER en Patrón de Yate en het praktische reddingsmanoeuvre van het Duitse SBF See. Leer de keuzes en de berging, niet alleen de getekende bocht.
GMDSS-noodproceduresZeil: direct reageren en dichtbij blijven.
Zeil: geoefende terugkeer zonder gijp.
Motor: tegenkoers, nuttig bij slecht zicht.
Motor: directe actie met zichtcontact.
Motor: late ontdekking, geen onmiddellijke val.
Roep alarm, gooi drijfmiddelen en wijs een vaste uitkijk aan. Markeer MOB en organiseer terugkeer en berging.
Het manoeuvre dat je op je boot hebt geoefend. Quickstop blijft dichtbij; halve wind–overstag–halve wind vermijdt gijpen maar gaat verder weg.
Om terug te keren op de tegenkoers, vooral bij slecht zicht of verloren zichtcontact.
Anderson bij een direct zichtbare persoon. Scharnow bij een later ontdekte vermissing, niet bij een onmiddellijke val.
MAYDAY bij ernstig, onmiddellijk gevaar met directe hulpbehoefte; PAN PAN bij lagere urgentie. Stel een gerechtvaardigde noodoproep niet uit.
Een globaal geheugensteuntje voor koud water, geen aftelklok of garantie. Reddingsvest en veilige, snelle berging tellen meteen.
Nee. Oscar meldt „Man overboord” volgens het Internationaal Seinboek en vervangt geen noodoproep.