Trim, LCF, LCB en MCTC
1De les in gewone woorden
Trim is het verschil tussen de diepgang achter en voor. Het schip vertrimt om het zwaartepunt van het waterlijnvlak. MCTC geeft aan hoe gemakkelijk dat gaat.
Trim
Trim is de diepgang achter min de diepgang voor, bij de loodlijnen. Dieper achter heet achterover getrimd; dieper voor, voorover getrimd; gelijke diepgangen, gelijklastig. De meeste schepen varen iets achterover getrimd voor bestuurbaarheid, schroefonderdompeling en een droger bakdek. De beste trim verschilt per schip: gebruik het stabiliteitsboek of de trimtabellen van de rederij.
Zwaartepunten in lengterichting
Je meet posities langs het schip vanaf de achterloodlijn (AP) of vanaf het punt halverwege de loodlijnen (midships): controleer de afspraak in je stabiliteitsboek. LCG is het scheepszwaartepunt in lengterichting. LCB is het zwaartepunt van het onderwatervolume. LCF, het zwaartepunt van het waterlijnvlak, ligt in dat vlak. De hydrostatische tabellen geven LCB en LCF; LCG bereken je zelf.
Vertrimmen om LCF
Bij een kleine trimverandering en gelijke waterverplaatsing draait het schip ongeveer om LCF. De diepgang daar blijft gelijk: dit is de ware gemiddelde diepgang. Gebruik die alleen binnen de goedgekeurde grenzen voor kleine trim met gelijklastige hydrostatische gegevens. Gebruik anders goedgekeurde trimafhankelijke gegevens.
MCTC
Het eenheidstrimmoment, MCTC, is het trimmoment in t·m dat de trim met 1 cm verandert. MCTC ≈ Δ × GML ÷ (100 × LBP). Hier is Δ de waterverplaatsing in ton, GML de metacentrische hoogte in lengterichting in meter en LBP de lengte tussen de loodlijnen in meter. Bij gelijke waterverplaatsing en lengte geeft een grotere GML een grotere MCTC en minder trimverandering. Gebruik de MCTC uit de tabel voor de beladingstoestand.
Evenwicht in lengterichting
Gebruik LCB uit de gelijklastige hydrostatische tabel bij de waterverplaatsing van de beladingstoestand. LCG achter die referentie-LCB geeft trim achterover; ervoor geeft trim voorover. Bij het vertrimmen verschuift het drukkingspunt totdat het scheepszwaartepunt G en het drukkingspunt B op één verticaal liggen.
2Stap voor stap
Rekenvoorbeeld: ware gemiddelde diepgang
- 1
Gegeven: LBP 140 m; diepgangen F 7,577 m, A 8,377 m; LCF 66,0 m vóór AP.
De diepgangen zijn al gecorrigeerd naar de loodlijnen.
- 2
Trim = 8,377 − 7,577 = 0,800 m achterover.
De diepgang achter is groter.
- 3
Gemiddelde diepgang = (7,577 + 8,377) ÷ 2 = 7,977 m.
Dit is de diepgang halverwege de loodlijnen, niet bij LCF.
- 4
LCF ligt 70,0 − 66,0 = 4,0 m achter het punt halverwege de loodlijnen. Correctie = 0,80 × 4,0 ÷ 140 = 0,023 m.
De waterlijn ligt achter dieper en LCF ligt achter het punt halverwege de loodlijnen.
- 5
Ware gemiddelde diepgang ≈ 7,977 + 0,023 = 8,000 m.
Gelijk aan 8,377 − 0,800 × 66 ÷ 140, afgerond. Gebruik 8,000 m binnen de goedgekeurde grenzen voor kleine trim.
3Kerngegevens
- Trim
- Trim = diepgang achter − diepgang voor
- Ware gemiddelde diepgang
- Diepgang bij LCF
- Diepgang bij LCF
- dA − trim × (LCF vanaf AP ÷ LBP)
- MCTC
- MCTC ≈ Δ × GML ÷ (100 × LBP), in t·m/cm
- Trimverandering
- Trimmoment ÷ MCTC, in cm
4Kernpunten
- 1
Trim = diepgang achter − diepgang voor; achterover als het schip achter dieper ligt.
- 2
Het schip vertrimt om LCF. De diepgang daar is de ware gemiddelde diepgang.
- 3
MCTC is het moment dat de trim met 1 cm verandert.
- 4
LCG achter de gelijklastige LCB geeft trim achterover; ervoor geeft trim voorover.
5Veelgemaakte fouten
Fout: Voor de hydrostatische gegevens gebruik je het gemiddelde van de diepgangen voor en achter.
Goed: Gebruik binnen de goedgekeurde grenzen voor kleine trim de diepgang bij LCF. Het gewone gemiddelde klopt alleen als LCF halverwege de loodlijnen ligt of het schip gelijklastig ligt.
Fout: Het schip vertrimt om het punt halverwege de loodlijnen.
Goed: Het vertrimt om LCF, het zwaartepunt van het waterlijnvlak. Dat verschuift met de diepgang.
Fout: MCTC is een vaste waarde voor het schip.
Goed: MCTC verandert met de diepgang. Lees de waarde voor de beladingstoestand af uit de hydrostatische gegevens.
6Praktijkgeval en examentips
Een cadet gebruikt het gemiddelde, 7,977 m, van F 7,577 m en A 8,377 m. LBP is 140 m; LCF ligt 74 m vóór AP. Volgens de cadet moet je bij trim achterover altijd een correctie optellen. Klopt dat en welke diepgang gebruik je?
Toon het antwoord
Nee. LCF ligt 4 m vóór het punt halverwege de loodlijnen. Daar ligt deze achterover getrimde waterlijn minder diep. Gebruik 7,977 − 0,800 × 4 ÷ 140 ≈ 7,954 m. Bepaal het teken van de correctie uit de positie van LCF en de trimrichting.
Examentips
- Trim = dA − dF.
- Ware gemiddelde diepgang = diepgang bij LCF.
- MCTC = moment voor 1 cm trimverandering ≈ Δ × GML ÷ (100 × LBP).
- LCG achter de gelijklastige referentie-LCB: trim achterover.
Dit onderdeel afronden
Als je het gelezen hebt, beantwoord je drie vragen. Heb je ze alle drie goed, dan is het onderdeel afgerond; alleen de pagina openen telt niet.
Mijn notities bij dit onderdeel
Geen notities

